Wanneer jij nog interessante artikelen hebt over honden, mail ze ons! info@alphameppel.nl

Na inzage en goedkeuring zullen wij ook jouw artikel plaatsen op deze pagina.

Lekker of juist gevaarlijk!?

Wij zijn allemaal wel eens geneigd om onze hond iets lekkers te geven, iets wat wij aan het eten zijn. Maar veel “snacks” zijn niet gezond voor je hond!

Dit is een mooi overzicht die duidelijk aangeeft wat wel en niet kan.

Afvallen zonder sperziebonen

Bijna 50 % van de honden in Nederland is te dik, steeds meer honden ontwikkelen diabetes. Nare feiten… Hoe komt dit? Maar nog belangrijker: Wat kun je als hondeneigenaar hier nou zelf aan doen?

Ten eerste is ons beeld van een “gezonde” hond de laatste jaren nogal veranderd. We vinden een labrador die goed op gewicht is mager… en eentje die we mooi vinden is toch zeker een kilo of 5 te zwaar. Een kilo of 5, op een hond van laten we zeggen 30 kg is vergelijkbaar met een vrouw van 60 kg die 10 kg te zwaar is… Dat is best veel!

Het loont in dit geval om eerlijk te zijn tegenover jezelf. Een grote hond met overgewicht krijgt vroeg of laat last van zijn gewrichten. Zonde, aangezien we zo veel moeite doen om honden zonder gewrichtsproblemen te fokken.

De eerste stap is dus om je te verdiepen in wat een echt gezond gewicht is voor jouw hond. Afhankelijk of het een reu of teef is, de leeftijd en hoe hoog de hond is, bepaal je zijn ideale gewicht. Een goede dierenarts kan je hier ook zeker bij helpen, vraag hem wel om eerlijk en kritisch te zijn.

Vooralsnog is een hond mooi op gewicht als er een taille te zien is, en er een dunne laag vet over de ribben heen ligt. Die laag is dun, als je de ribben goed kan voelen zonder veel druk te zetten.

Nu, de conclusie is dat je hond wat te zwaar is. Wat doe je dan?

Voor de hand ligt het antwoord: Geen bijvoeding meer geven. Ongemerkt krijgen onze viervoeters heel wat extra kcal te verstouwen door alle botjes, kauwstaafjes, koekjes en beloningssnoepjes. We zijn ons hier vaak helemaal niet bewust van.

Minder voeren, zal het antwoord zijn van veel van jullie. Dat zou een oplossing kunnen zijn als de hond maar iets te zwaar is. Het tijdelijk geven van 10% minder voeding kan dan het probleem simpel oplossen. Maar wat doe je als de hond in kwestie bijna 20% te veel weegt?

Minder eten geven heeft in dat geval geen zin. Als je hem minder eten geeft geef je hem ook minder vitamines en mineralen, en dat zorgt op de langere termijn voor een tekort. Ook het  minderen van de voeding als je wel bijvoeding blijft geven zorgt voor een “scheef” menu en tekorten.

Dit gebeurd ook als je je hond bijvoorbeeld sperziebonen bij zijn eten geeft. Hij mist dan een deel van zijn essentiële voedingsstoffen en zal hier niet gezonder van worden. Los van alle andere bezwaren die er kleven aan het geven van sperziebonen.

Van groot belang is het om een hond met overgewicht een passende voeding te geven. Een voeding die er voor zorgt dat hij geleidelijk gezond af kan vallen, fitter kan worden en op gewicht kan blijven. Welke voeding dat is? Een voeding die er voor gemaakt is om af te vallen. De hoeveelheid vitamines, mineralen en kcal zijn aangepast in deze voeding. Welke precies? Dat verschilt per hond, per ras, per baas. En als je hond serieus overgewicht heeft zou ik ook hulp inschakelen van een dierenarts of voedingsdeskundige. Gewoon om zeker te zijn dat het goed gaat.

(bron: Lotte’s Logica)

Waarom zou ik vers voeren i.p.v. droge brok?

Waarom vers vlees?

Veel fabrikanten van droge diervoeders beweren dat brokken gezonder zijn voor de hond en kat, vers vlees zou zelfs “gevaarlijk” zijn. Wij zijn van mening dat dit absoluut niet waar is, droge brokken kunnen gemakkelijker zijn voor de mens, maar veel soorten (met hoofdbestandsdeel granen) zijn beslist niet gezond voor de hond en kat! De reclames op tv laat consumenten geloven dat de meeste blikvoeders supergezond zijn en zuiver vlees bevatten, helaas is de waarheid hierin ook anders. De meeste blikvoedingen bevatten slechts 4% echt vlees, de rest is vocht en iets dat dierlijke bijproducten wordt genoemd.

Wist u dat geen enkele hond of kat in staat is om granen, waarmee de meeste brokken wordt samengesteld, te verteren? Om deze reden produceert bijvoorbeeld een hond welke brok te eten krijgt 60 tot 70% meer ontlasting dan een hond die verse voeding te eten krijgt. Aan de meeste honden en kattenbrokken worden ook nog eens chemische middelen toegevoegd om deze brokken langer houdbaar te maken. Op het internet is heel veel informatie te vinden over deze chemische middelen en de gezondheidsrisico’s van deze middelen, zoekt u via Google maar eens op deze trefwoorden: BHA – BHT en Ethoxiquine.

Door de slechte vertering van de granen en de toevoeging van geur, kleur en smaakstoffen aan de brokken bestaat het risico op gezondheidsklachten zoals vacht en huidproblemen, gewrichtsproblemen, allergieën, nier- en blaasproblemen enzovoort. Ook zitten de meeste hondenbrokken en blikvoeders bomvol met suikers, deze kunnen naast gezondheidsproblemen ook gedragsproblemen geven.

Droge voeding is een volkomen steriele voeding, net als de mens hebben honden en katten bacteriën nodig om de darmflora optimaal te houden. Een goede darmflora is immers de basis van een goede weerstand en algemene gezondheid. Wist u dat voor katten, die enkel droge voeding krijgen, nog meer problemen kunnen ontstaan dan bij honden? Droge voeders zijn met name bij katten veelal de oorzaak van blaas- en nierproblemen, dit komt vooral doordat de brokjes veel vocht aan het lichaam onttrekken en de kat niet goed in staat is om dit vocht weer aan te vullen.

Is er een gezond alternatief voor brokken?
Honden en katten zijn van nature carnivoren wat wil zeggen dat ze hoofdzakelijk vleeseters zijn. Vers vlees voeding is voor uw hond of kat de voedingsbron die de natuurlijke voeding het meest benadert. Vers vlees voeding bevat 100% zuiver vers vlees en is dus veel gezonder dan de meeste brokken en blikvoeders. De vers vlees producten die u op onze website aantreft bevatten geen geur-, kleur- en smaakstoffen, conserveringsmiddelen en zijn door het ontbreken van granen dus glutenvrij!

Wanneer het geven van verse voeding niet haalbaar voor u, kies dan voor een natuurlijke brok met een hoog vlees aandeel. In onze winkel hebben wij een breed assortiment vers vlees en brokken en we kunnen samen kijken welke voeding het beste past bij uw huisdier en bij u als verzorger

Heeft u vragen over vers vlees voeding? Neemt u dan gerust vrijblijvend contact met ons op!

Wat u eigenlijk zou moeten weten over vers vlees voeding.

Op een andere pagina op deze website heeft u kunnen lezen dat honden en katten Carnivoren zijn en eigenlijk vlees zouden moeten eten.
Op deze pagina geven we informatie die u als eigenaar van een hond of kat zou moeten weten.

Wissel regelmatig van vleessoort:
Steeds vaker worden door dierenartsen honden en katten gezien die last hebben van een voedselallergie. Onderzoeken hebben aangetoond dat de éénzijdigheid van de voeding mogelijk de oorzaak is van de enorme toename van voedselallergieën bij honden en katten. Wissel daarom (ook als u uitsluitend verse voeding geeft) regelmatig van vleessoort.

Elke dag een compleet voer geven?
Dat honden en katten elke dag een compleet voer moeten krijgen is absoluut niet waar. Honden en katten die in de vrije natuur leven krijgen niet elke dag een volkomen uitgebalanceerde maaltijd.
Honden en katten die elke dag een complete voeding krijgen hebben veel sneller last van overgewicht (Obesitas) doordat deze dieren véél te veel voedingstoffen binnenkrijgen.

Wat beter is voor uw hond of kat:
Geef slechts een aantal dagen een compleet voer, bijvoorbeeld vijf dagen in de week en geef de overige twee dagen een éénzijdige vleesmaaltijd (zoals: Pens – Hart – Kip of een niet complete Vleesmaaltijd. Als u twee keer per dag voert dan kunt u het 10 + 4 principe te gebruiken (10 complete maaltijden + 4 enkelvoudige maaltijden per week geven). U kunt dan zelf bepalen op welk moment u enkelvoudig of compleet voert zolang u het 10 + 4 principe maar aanhoudt.

Als u op deze manier voert dan:

  • Overvoert u de hond of kat niet, u zult merken dat u veel minder op het gewicht van uw dier hoeft te letten.
  • Door dagen in te voeren waarop u géén complete voeding geeft zult u van vleessoort wisselen, dit komt de weerstand van de hond en kat ten goede en het risico van het ontstaan van een voedselallergie is aanzienlijk minder.

Helaas kan of wil niet iedere eigenaar van een hond of kat zijn of haar hond of kat vers vlees geven.

Mocht u als eigenaar van een hond of kat besluiten om een droge voeding te geven dan zou u het volgende eigenlijk moeten weten:

  • Meng brokken nooit met vers vlees
  • Kies voor een brok waar géén granen aan zijn toegevoegd
  • Mocht u af en toe vers vlees willen geven zorg dan dat er minimaal 8 uur tussen een vers- en een brokkenmaaltijd zit.
  • Brokken worden in de maag verteerd bij een lagere ph-waarde (zuurgraad) van het maagzuur. Vers vlees wordt bij een hogere ph-waarde verteerd.
  • Als brokken en vers vlees wordt gemengd dan zal de ph-waarde van het maagzuur veel te hoog worden waardoor de brokvoeding als het ware verbrandt en de voedingstoffen uit de brokken verloren zullen gaan.

Als u besluit om brokvoeding te geven overtuig u er dan van dat u een granenvrije brok voert waarin géén chemische houdbaarheidsmiddelen aan zijn toegevoegd.

Als u op de verpakking de volgende aanduiding(en) ziet staan, dan zijn er aan de brok chemische houdbaarheidsmiddelen toegevoegd:

Dit product bevat door de EU toegestane stoffen

  • EU-additieven
  • E 321 Butylhydroxyanisol (BHA)
  • E 320 Butylhydroxytolueen (BHT)
  • E 324 Ethoxiquine

Mocht u één van deze aanduidingen op de zak brokken zien staan dan is de voeding chemisch “verrijkt” en kunt u deze voeding beter niet geven !

Wordt er in verse (diepvries) voeding ook één of meerdere van deze middelen gebruikt?
Het antwoord hierop is NEE, om die reden zeggen wij ook steeds dat verse (diepvries) voeding veel gezonder is voor uw hond of kat !

Heeft u vragen over vers vlees voeding? Neemt u dan gerust vrijblijvend contact met ons op!

Brokken of vers vlees?

Als je ergens door de bomen het bos niet meer kan vinden, dan is dat wel in de diervoeding! Zeker als je de hoeveelheid merken hondenvoeding bekijkt….het is niet te doen! Waar moet je nu op letten bij het kiezen van goede voeding voor je hond?

  • Kies je voor brokken en zo ja welk merk?
  • Geëxtrudeerde brok of koud geperste brok?
  • Of misschien toch vers vlees zoals mijn buurvrouw adviseerde, maar wat is vers vlees nu eigenlijk?
  • KVV of prooidier-methode……BARF?!?!?!
  • Is goedkoop hondenvoer nu werkelijk slechter?

Heel begrijpelijk dat je het moeilijk vind om een juiste keuze te maken voor jouw hond!

Merk-keuze

Er zijn zeer veel merken hondenvoer, wij hebben ons assortiment beperkt tot slechts een paar merken. Waarom wij voor deze merken hebben gekozen is heel simpel…

Allereerst hebben wij gekeken naar de prijs van de voeding en de kwaliteit die je daarvoor krijgt, staat deze wel in verhouding? Al vrij snel kom je tot de conclusie dat je bij de bekende merken vaak veel te veel betaalt voor wat je werkelijk krijgt. Zonder namen te noemen zal het duidelijk zijn dat wij de bekende merken van televisie, grote sponsors van evenementen en andere reclame-campagnes hebben laten vallen. Deze merk-promoties kosten namelijk erg veel geld en dit betaalt de consument uiteindelijk in de prijs van de voeding. Daarom zijn wij gaan kijken bij de minder bekende merken, die wel een goede samenstelling in de ingrediënten structuur hebben maar niet te duur zijn.

De voedingsproducten van al deze merken bestaan uit 100% natuurlijke ingrediënten en bevatten geen toegevoegde (kunstmatige) geur-, kleur- en smaakstoffen. Ze zijn door ons stuk voor stuk beoordeeld als zeer goed!

Nu is de beurt aan jou…er zijn nog wat keuzes te maken. Zonder al te veel in details te treden willen wij je daarin een handje helpen en hopelijk kun je na het lezen van dit artikel makkelijker een keuze maken. Wanneer je hierna nog steeds twijfelt aan je keuze, kom dan een keertje langs of bel/mail ons gerust voor een persoonlijk advies.

Keuze: brok of vers vlees?

Eigenlijk zijn beide opties prima, dus dat scheelt alweer ;-). Deze keuze is sterk afhankelijk van het type persoon dat jij als baasje bent, maar zeker ook wat je portemonnee toe staat.

Brokken: Het voeren van brok is gemakkelijk en goedkoper (in de meeste gevallen) dan het voeren van vers vlees. Je hond krijgt elke dag zijn brokjes en als de brok qua samenstelling goed is voor je hond zal hij/zij daar gezond oud op kunnen worden. Het grootste nadeel van brokken is wel dat er veel brokken in de handel zijn die behoorlijk laag zijn in hun voedingswaarde en vaak veel tarwe bevatten. Tarwe is een goedkope grondstof en wordt door veel honden niet goed verteerd.

Vers Vlees: Het voeren van vers vlees is razend populair aan het worden onder de hondenbezitters, maar voor je daar aan begint is het wel handig de voor- en nadelen te kennen. Laten we beginnen bij de voordelen: het is gezonde voeding (mits goede kwaliteit vlees), geen chemische of synthetische toevoegingen, heel acceptabel voor de hond, zorgt voor een goede darmflora en daardoor leeft de hond gezonder. Er zijn ook nadelen… het is diepgevroren dus het vraagt meer discipline van de baas, ook daardoor lastig met vakanties en het is duurder dan de meeste brok.

Goed… de keuze is natuurlijk aan jou. Brok of vers vlees? Wanneer je je keuze gemaakt hebt is het tijd om verder te kiezen. Lees verder bij je gemaakte keuze.

Keuze: Geëxtrudeerde of geperste brokken?

Oké, het wordt dus brok voor jouw hond. Er zijn vreselijk veel merken brokken verkrijgbaar, binnen dit grote assortiment kun je feitelijk kiezen uit 2 typen brok. Je hebt de geëxtrudeerde brok en de geperste brok, wat het verschil is leggen we even kort uit.

De geëxtrudeerde brok is een krokant gebakken brok welke onder hoge temperatuur (meer dan 100 graden) wordt bereid, door dit proces gaan er veel vitamines en mineralen van de ingrediënten verloren en om deze te korten weer aan te vullen worden deze later weer toegevoegd door middel van een spray die over de brokken gespoten wordt.

Voordelen: De brok is licht verteerbaar, kan vrij specifiek worden afgestemd naar behoefte van de hond en het is langer houdbaar.

Nadelen: De vertering van de brok gaat erg langzaam (ongeveer 48 uur), de toevoegingen zijn vaak chemisch of synthetisch, de langzame vertering zorgt voor “luie darmen”.

De koud-geperste brok wordt onder lage temperatuur (ongeveer 70 graden) bereid, hierdoor verbranden de ingrediënten in de brok niet. Door de structuur van de brok is voor het verteringsproces minder licht te noemen, maar doordat de darmen flink aan het werk gezet worden gaat het wel sneller. Omdat er weinig tot geen verliezen optreden in het productieproces van de brok is het niet nodig er later nog iets aan toe te voegen. Hierdoor kunnen veel geperste brokken uit natuurlijke ingrediënten blijven bestaan en hier reageert het lichaam van de hond vaak beter op.

Voordelen: Zorgt voor een goede darmfunctionaliteit, snellere vertering, minder ontlasting, geschikt voor zowel pups als volwassen honden, vaak een natuurlijk product.

Nadelen: Minder lang houdbaar (6-9 maanden), geeft soms wat poeder onder in de zak

Keuze: Vers Vlees

Er zijn verschillende soorten vers vlees voedingen, KVV (kant-en-klaar vers vlees) of het prooidier-principe (100% vleesvoeding). Beide leggen wij hieronder kort uit, zodat u kan kiezen wat het beste bij u en uw hond past.

(let bij een vers vlees voeding wel op dat een goedkope kiloprijs zit in de kwaliteit vlees wat er gebruikt wordt! Goede kwaliteit vlees kost tussen de 3 – 5 euro per kilo)

KVV
Deze afkorting staat voor Kant-en-klaar Vers Vlees en dat betekent eigenlijk dat deze vleesworsten een “complete” voeding zijn voor je hond. Je kan je hond dan ook gerust op 1 soort vleesworst zetten voor de rest van zijn leven doordat deze alle vitamines & mineralen (premix), rijst en groentes bevatten.

Deze vorm van vers vlees voeren is gemakkelijk voor de eigenaar, maar vrij saai voor een hond. Elke dag hetzelfde eten…wordt erg saai. Een klein extra nadeel van deze KVV’s is dat het vitamine- en mineralenpreparaat (premix) vaak geen natuurlijke toevoeging is en zelfs voor ophoping van afvalstoffen onder de huid kan zorgen. Dit kan leiden tot bultjes, jeuk of overmatig haarverlies.

Deze kans is klein, maar het kan…

Het prooidier-principe
Deze vorm van voeren doe je met 100% vlees in de juiste verhoudingen: spiervlees, orgaanvlees en botvlees. Deze voedingen zijn dus vrij van eventuele toevoegingen en daardoor supergezond. Wel is het van belang dat je je hond verschillende vleessoorten aanbiedt om op deze manier ook aan alle benodigde vitamines en mineralen te komen (complete voeding): elke vlees- of vissoort heeft zo zijn eigenschappen en door in de mix te voeren zal je hond geen tekorten krijgen.

Wanneer je zo af en toe je hond een kluif geeft zorgt dit ook weer voor extra voedingsstoffen en de hond vindt het geweldig! De prooidier-merhode is dus extra gezond en door de variatie ook super lekker voor je hond!

Is een combinatie met brokken en vers vlees mogelijk?

Absoluut, maar je dient wel rekening te houden met een aantal zaken.

Als je vers vlees en brokken graag wilt afwisselen is het erg belangrijk dat je dit doet met een geperste brok met als hoofdbestanddeel vlees. Deze brok heeft namelijk bijna hetzelfde verteringsproces als vers vlees en zal daardoor de maag van de hond minder snel van streek brengen. Omdat vers vlees sneller verteerd wordt, met een lagere PH-waarde van het maagzuur (dus zuurder), is het raadzaam minimaal 8 uur tussen de maaltijden te houden (dus NIET mixen in 1 maaltijd!!). In de ochtend brokken en s’ avonds vers vlees is dus goed mogelijk.

Wanneer je hond erg gevoelig is voor wisselingen van verschillende voedingen, blijf dan gewoon op 1 type voeding zitten. Bij voorkeur vers vlees.

Kort samengevat

Alle merken die wij verkopen zijn met grote zorg geselecteerd en betaalbaar. Daarmee zit je altijd goed, ongeacht wat je keuze ook wordt. Welke manier van voeren jij kiest voor

Troost jij je angstige hond?

Troost jij je angstige hond? Nee zeggen heel veel hondeneigenaren mij is geadviseerd om dat niet te doen omdat de hond dan nog angstiger wordt.

Ik kan je vertellen dat dit een misvatting en achterhaald feit is. Dus ik heb geweldig nieuws voor je “troosten mag” en het werkt voor jou en je hond. Veel hondeneigenaren maar ook instructeurs hebben geleerd of gelezen dat het troosten van een angstige hond voor de hond als een beloning werkt. En iedereen weet dat als je, je hond een beloning geeft voor zijn gedrag het gedrag wordt versterkt. Dus werd verteld als je een angstige hond een beloning geeft zal zijn angst toenemen.

Ook ik heb helaas en jammer voor mijn honden jarenlang dit standpunt van de “geleerde” overgenomen en negeerde de angst bij mijn honden. Uit wetenschappelijke onderzoeken blijkt nu dat dit een misvatting is.

Angst is een emotie
Sinds er steeds meer bekend wordt over de emoties die dieren dus ook honden hebben, is duidelijk geworden dat de angst bij je hond een emotie is, vergelijkbaar met zoals wij mensen die kennen. Angst is een emotie die van groot belang is om te overleven.

Die emotie bij de hond wordt door ons herkend, zichtbaar, door de taal die de hond uit en die wij kunnen waarnemen. De emotie zelf is geen gedrag. Met andere woorden de emoties van je hond beïnvloeden door hem te troosten/steunen heeft niets te maken met aanleren van gedrag.

Waarom die misvatting
Wetenschappelijk onderzoeken van 1967, 1998 en de onlangs gepubliceerd onderzoeken, wijzen uit dat de oude wijsheid niet troosten bij angst, want dat versterkt de angst, op een misverstand berust.Bij dit misverstand worden twee leerprincipes, operante conditionering en klassieke conditionering, door elkaar gehaald en werd angst als gedrag gezien en niet als een emotie.

Operante conditionering (in het kort)
Hierbij gaat het over het tot stand brengen van gedrag. Hierbij wordt een beloning of een straf toegediend om een bepaald gedrag te bewerkstelligen. Toont de hond gewenst gedrag dan ontvangt hij een beloning en zal het gedrag vaker getoond worden. Zolang hij het gewenste gedrag niet toont blijft de beloning achterwegen wat als een negatieve straf door de hond wordt ervaren. Het corrigeren bij ongewenst gedrag valt ook onder de noemer operante conditionering.

Klassieke conditionering (in het kort)
Bij klassieke conditionering brengt de hond twee opeenvolgende gebeurtenissen in verband met elkaar en anticipeert dan al op de eerste gebeurtenis omdat hij weet wat er daarna zal gebeuren. Dit heeft verder niets te maken met het gedrag van de hond zelf. Troosten/ondersteunen is in het geval de hond de emotie angst ervaart een vorm van klassieke (tegen) conditionering omdat de hond het troosten als prettig en ondersteunend ervaart. Systematische desensitisatie in samenhang met tegenconditionering wordt in de gedragstherapie veelvuldig toegepast om een hond van zijn emotie angst af te helpen.

Honden troosten elkaar ook
Uit recent onderzoek blijkt dat honden elkaar ook troosten. Uit deze studies blijkt bijvoorbeeld dat wanneer er een conflict is geweest tussen twee honden, zij door andere honden worden getroost. We zien dan deze honden bijvoorbeeld elkaar begroeten, likken enz. Hoe kun je, je angstige hond troosten / ondersteunen Bij het troosten van je hond als hij angstig is ben je dus niet bezig met zijn gedrag te veranderen maar om zijn emoties te beïnvloeden. Dit doe je door bijvoorbeeld afstand te nemen van datgene waar hij angstig voor is en hem daarbij:

  • Rustig achter zijn oor te kroelen
  • Te Knuffelen Geruststellend toe te spreken
  • Tegen je aan te houden
  • Een voor je hond leuk spelletje te spelen
  • Een beloning te geven (wat door een angstige hond niet altijd wordt aangenomen)

Als je dat op de juiste wijze toepast zul je ook veranderingen zien in de lichaamshouding die bij een angstige hond zichtbaar zijn en zal je hond minder angstig reageren.

Een angstige hond troosten geeft een gevoel van veiligheid
Troosten van je hond wordt door je hond als prettig ervaren en geeft een gevoel van veiligheid welke jij hem biedt. Veiligheid is een basisbehoefte van elke hond en als jij hem die kunt bieden ziet je hond jouw als een leider en ben je een steun voor je hond. Dit zal de relatie tussen jou en je hond zeker ten goede komen.

Tot slot
Indien je hond ergens van schrikt en hij hersteld zich vrij snel kun je dat schrikken negeren. Blijft hij echter angstig dan kun je handelen zoals hierboven aangegeven.

Corrigeer/straf je hond nooit omdat hij angstig is.
Voorkom dat je hond angstig wordt. Dit doe je onder anderen door:

  • zodra je de hond als pup in huis hebt te beginnen met de socialisatie.
  • hem op een veilige wijze kennis maken met alle levende en niet levende dingen die hij in zijn latere leven ook zal tegen komen.
  • Door je hond leiding te geven in de dagelijkse omgang met hem en in datgene wat je met hem onderneemt.

Troosten mag het beïnvloed de emotie angst van je hond op een positieve wijze.

Checklist voor het socialiseren van je pup

Wij raden je aan om onderstaande checklist te gebruiken bij het socialiseren van je pup. Zodra je samen met je pup een situatie hebt ervaren, kun je deze aftekenen op de checklist. Wel raden we je aan om reeds gedane situaties te blijven herhalen zodat je pup het als “normaal” gaat beschouwen.

Belangrijk!! Voorkom dat je pup overprikkeld raakt, dus socialiseer met mate!

Plaatsen waar je kunt komen*

  • □ Dierenartspraktijk
  • □ Kennels
  • □ Trimmers
  • □ Huizen van anderen
  • □ Kroeg/feesten
  • □ School/recreatieterrein
  • □ Bazaars
  • □ Langs de weg
  • □ Openbaar vervoer: treinen, bussen, tram, metro, taxi
  • □ Park/platteland
  • □ Grote/kleine steden
  • □ Liften en trappen
  • □ Markt

*draag je pup op riskante plaatsen tot hij volledig is ingeënt

Mensen en dieren die je tegenkomt

  • □ Mannen
  • □ Vrouwen
  • □ Kinderen/baby’s
  • □ 65+ers
  • □ Invaliden en (geestelijk) gehandicapten
  • □ Glazenwasser
  • □ Mensen met wandelstok en rollator
  • □ Zelfverzekerde/luidruchtige mensen
  • □ Verlegen/rustige mensen
  • □ Bezorgers: melkboer, postbode , krantenbezorgers (moedig interactie binnens- en
  • buitenshuis aan)
  • □ Mensen met hoofdbedekking
  • □ Mensen met een bril
  • □ Mensen met een baard en/of snor
  • □ Mensen in rolstoelen, op fietsen, skateboards, kinderwagens
  • □ Hardlopende mensen
  • □ Het personeel van de dierenartsenpraktijk
  • □ Mensen in dienstkleding: politie, brandweer, ambulancepersoneel
  • □ Andere honden
  • □ Katten
  • □ Andere huisdieren
  • □ Vee

Dingen die je kunt tegenkomen

  • □ Stofzuigers
  • □ Wasmachines
  • □ Wasdrogers
  • □ Haardrogers
  • □ Voertuigen
  • □ Kinderspeelgoed
  • □ Kinderwagens
  • □ Luchtballonnen
  • □ Fietsen
  • □ Vliegers
  • □ Auto’s
  • □ Vrachtwagens
  • □ Motoren
  • □ Bromfietsen
  • □ Scooters
  • □ Tractor
De 10 geboden van Alpha Hondenschool Meppel

Een paar vanzelfsprekende regels voor op de hondenschool.

  1. Drankjes en etenswaren uit de kantine zijn voor eigen rekening.
  2. Geen honden in de kantine of theorieruimte.
  3. Roken tijdens de theorieles is verboden.
  4. De Honden mogen niet worden uitgelaten op het terrein zelf, wel op de groenstrook langs het fietspad.
  5. Honden mogen niet markeren tegen toestellen of tegen de boarding in de binnenbak.
  6. Poep dient te worden opgeruimd met de daar-voor dienende schepbakken.
  7. Honden zijn altijd aangelijnd, tenzij een in-structeur anders aangeeft.
  8. Auto’s dienen zo geparkeerd te worden dat niemand er last van heeft.
  9. Afmelden voor cursus dient minimaal 1 dag voor aanvang te gebeuren.
  10. Uw hond maakt geen fouten, dus… 😉

Wij wensen u een plezierige en leerzame tijd toe!

Dominantie bij honden.

Christina Sondermann (vertaling: Sandra Hurkmans)

Hebt u een hond die steevast voor u uit de deur uit sprint? Die het liefst breeduit op uw favoriete plekje op de bank gaat liggen? Die soms alles doet, behalve wat u zegt? Kent u een hond die zijn voerbak verdedigt of een die het soms niet zo goed met soortgenoten kan vinden? Vast wel. En ongetwijfeld hebt u daarbij ook de volgende uitspraak gehoord:

 “Die hond heeft een dominantieprobleem!”

Dominantie: als een schrikbeeld spookt dit woord in de hondenwereld rond. Daar hoort het beeld bij van het Roedeldier Hond. Dit dier is hetzelfde als zijn voorvader, de wolf. Hij leeft in een strakke hiërarchische structuur. Zijn belangrijkste doel is omhoogklimmen in de hiërarchie en vechten om de dominante plaats. Dit doel heeft hij ook voortdurend voor ogen in de roedel die hij met ons tweebenigen deelt.

Dit beeld is verankerd in veel opvoedingsmethoden. De hond luistert alleen als zijn plaats binnen de roedel duidelijk is. De hond moet onder ons staan, willen wij met hem samen kunnen leven. De hond gaat alleen probleemloos met mensen en soortgenoten om als hem duidelijk wordt gemaakt welke positie hij in de roedel inneemt.

Dat op zijn plaats zetten binnen de rangorde wordt gezien als de oplossing voor vele hondenproblemen – vaak zelfs als de standaardoplossing voor alle problemen. Deze dominantietheorie is eenvoudig te begrijpen en voelt voor ons mensen van nature goed aan. Verbetering van problemen wordt vaak gezocht in rituelen als: de hond als laatste door de deur laten gaan, de hond altijd pas na de maaltijd van zijn mensen zijn eten geven, niet meer op de bank of op bed mogen slapen, zijn voerbak vaak wegpakken en hem onderwerpen als hij zich opstandig lijkt te gedragen tegenover soortgenoten of mensen.

Resultaten uit nieuw onderzoek tonen echter, dat deze zienswijze geen enkele wetenschappelijke grond heeft. Deze resultaten halen de aloude denkbeelden over de hond en de manier waarop hij samenleeft met soortgenoten en met mensen onderuit. Maar hoe zit het dan met ‘dominantie’ en ‘rangorde’?

Lees verder voor een spannende nieuwe kijk op wolven en honden en op de manier waarop wij onze omgang met onze viervoetige huisgenoten kunnen bepalen. We beginnen door een blik te werpen op de gang van zaken binnen de wolvenroedel.

Ouders in plaats van alfadieren

De structuur van de wolvenroedel wordt graag als model gebruikt voor het gedrag van onze honden – vooral wanneer het om ‘rangorde’ en om ‘dominantie’ gaat.

Wat men tot nu toe dacht

U kent ongetwijfeld het verhaal van de dominante alfateef en alfareu, die samen de roedel aanvoeren. Het leven binnen de roedel is hard. Plaatsen in de rangorde moeten voortdurend verdedigd worden tegenover concurrenten in de eigen roedel. Met andere woorden: ieder in de roedel wil omhoog klimmen – en wie iets wil betekenen, moet anderen continu zijn overwicht en dominantie tonen. Dit is – in eenvoudige bewoordingen – het beeld dat wij mensen tot nu toe hadden van wat er in de wolvenroedel gebeurt. En dat is het beeld dat wij als ‘erfenis van de wolven’ op onze honden projecteerden.

Dit beeld mogen wij echter gerust vergeten. Er schuilt namelijk een addertje onder het gras: de waarnemingen waarop deze kennis gebaseerd is, werden verricht bij wolven die in gevangenschap leefden: bij groepen die in krappe behuizingen waren gehuisvest, die vaak te maken hadden met voedselschaarste en waarvan de leden door mensen bij elkaar gezet waren.

Dit zijn geen goede voorwaarden voor een vreedzame samenleving. Dat daarbij veel stress en agressie te zien was, is dan ook niet verwonderlijk. Het is misschien moeilijk te geloven, maar bij roedels in het wild is iets heel anders te zien.

Nieuw onderzoek geeft een heel ander beeld

De verspreiding van nieuwe kennis over de manier waarop wolven samenleven, hebben we vooral te danken aan de Amerikaan David Mech. Tijdens jarenlang onderzoek, waarbij hij wolven in het wild observeerde, nam hij opmerkelijke zaken waar.

In de natuur zijn wolvenroedels families, bestaande uit de wolvenouders en hun kinderen, vaak van verschillende leeftijden. En zoals in een familie gaat het ook in een wolvenroedel toe: de wolf en wolvin die de leiding hebben, zijn absoluut geen strenge gezagdragers, die hun rang ten opzichte van de concurrenten verdedigen. Zij zijn zuiver liefhebbende en zorgzame ouders.

De wolven in de roedel leven erg vreedzaam samen. De jongen hebben de vrijheid die kleine kinderen vaak genieten en hebben vele privileges: jonge wolven mogen wild spelen zonder terecht te worden gewezen. Zij mogen naar de volwassenen toegaan en om voer bedelen. Deze accepteren dit en braken soms zelfs voer uit als hen daarom gevraagd wordt. Overigens werd zelfs bij een slecht gehouden wolvenroedel in gevangenschap waargenomen dat in tijden van voedselschaarste de oudere, meest ervaren dieren voedsel voor hun nakomelingen uitbraakten. Zelfs volwassen nakomelingen worden in noodgevallen nog door de wolvenouders verzorgd.

De ranghoogste zijn, heeft in de eerste plaats te maken met het zorgen voor het welzijn van de roedelleden.

Correcties komen in de wolvenroedel uiterst zelden voor. Slechts bij uitzondering worden de jongen op bepaalde grenzen gewezen. Als dit al voorkomt, gebeurt het zonder enig geweld en komt lichamelijk contact nauwelijks voor. Als een correctie nodig is, bromt het ouderdier. Meestal is dit voldoende. Werkt dit tegen alle verwachtingen in niet, dan opent de volwassen wolf zijn bek, legt hij die heel zachtjes over de bek van zijn kind en drukt hij die zachtjes neer. Dit is volkomen pijnloos en vrij van geweld en is de enige – en uiterst zelden voorkomende – manier waarop wolven hun nakomelingen corrigeren.

Als een wolf zich aan een ander onderwerpt, doet hij dit geheel vrijwillig. Onderwerping wordt binnen de wolvenroedel niet afgedwongen. Vrijwillige onderwerpingsgebaren bevorderen een vriendelijke omgang met elkaar. Meestal wordt daarbij de bek van het andere dier afgelikt (wat overigens vaak samen optreedt met het bedelen om voer en waarop door het andere dier wordt gereageerd met het uitbraken van voer). Ook kan het dier zich op zijn zij of rug draaien, waardoor het andere dier aan de genitaliën of de liesstreek kan snuffelen.

Al met al zijn wolven meesters in het oplossen van conflicten. Zij vermijden aanvaringen zoveel mogelijk. Ernstige gevechten komen alleen bij hoge uitzondering voor. In de 13 jaar dat David Mech wolven op het Canadese Ellesmere Island observeerde, heeft hij geen enkele strijd om de dominantie met andere wolven waargenomen.

Overigens kan geen enkele wolvenleider zijn beschermelingen ergens toe dwingen. Samenwerking gebeurt vrijwillig, “gehoorzaamheid” speelt in een wolvenroedel geen enkele rol. En wat betekent dit dan voor onze omgang met onze honden? Het is onwaarschijnlijk en omstreden dat honden ons als mens in hun rangorde betrekken (wij zijn namelijk mensen, geen honden!). Afgezien daarvan moeten wij bij ons samenleven met onze honden het volgende in het achterhoofd houden.

  • In de roedel bestaat geen heftig verdedigde en bevochten rangorde, maar een familiestructuur.
  • De roedelleiders zijn de ouders en zij kenmerken zich door hun grote tolerantie, vriendelijkheid en zorgzaamheid voor hun beschermelingen.
  • Hun voornaamste taak is het hun roedel veiligheid te bieden en ervoor te zorgen dat de leden goed gaat.
  • De roedelleiders zijn waardige, soevereine heersers. Nooit zullen zij op een onberekenbare manier geweld gebruiken. Nooit zullen zij een lid van de roedel bedreigen.
  • Alleen bij hoge uitzondering komt het tot lijfelijke conflicten. Als een wolf een ander aanvalt, gaat het meestal om leven en dood. (Overigens wordt de zogenaamde ‘alfaworp’ of het ‘nekschudden’ als correctiemiddel bij de opvoeding van honden door de hond als een aanval op leven en dood gezien – met alle risico’s op agressie uit noodweer door de hond van dien. Dan hebben we het nog niet over het vertrouwen dat de hond verliest in deze schijnbaar totaal onberekenbare mens). Onderwerpingsgebaren worden in de dagelijkse omgang met elkaar vrijwillig getoond en nooit afgedwongen.
  • “Gehoorzaamheid” speelt binnen wolvenroedels geen enkele rol.

Laten wij nog even terugdenken aan de hond die zijn voer verdedigt, die soortgenoten aanvalt of die graag op de bank ligt. Gelooft u nog altijd dat deze hond ‘dominant’ of ‘ranghoogste’ is? En als hij soms niet dat doet wat de baas of de vrouw vraagt – zou dit dan werkelijk betekenen, dat hij uw ‘roedelleiderschap’ niet erkent?

Laten we het dan eens vanaf de andere kant bekijken. Als wij ervan uitgaan dat we in een soort roedel samenleven met onze hond: gedragen wij als hondenbezitter ons zoals een roedelleider moet zijn? Zijn wij altijd zo rustig en soeverein en bieden wij de aan ons overgeleverde hond altijd de zorgzaamheid en veiligheid die wij hem verschuldigd zijn?
Het lijkt mij dat wij van de wolven nog veel kunnen leren om betere leiders van onze gemengde familie te worden!

Meer weten?

David Mech heeft zijn onderzoeksresultaten over de gebeurtenissen in een vrij levende wolvenroedel samengevat in een lezenswaardig artikel. Dit werd in 1999 gepubliceerd in het ‘Canadian Journal of Zoology’. Hieronder vindt u de brongegevens en het internet-adres voor dit artikel:

Mech, L. David. 1999. Alpha status, dominance, and division of labor in wolf packs. Canadian Journal of Zoology 77:1196-1203. Jamestown, ND: Northern Prairie Wildlife Research Center Home Page: http://www.npwrc.usgs.gov/resource/2000/alstat/alstat.htm

Volgende artikelen: De voorvaderen van onze hond en Wat betekenen deze bevindingen voor ons en onze honden?

Oorspronkelijke titel: “Die Sache mit der Dominanz”
Op internet te lezen via www.spass-mit-hund.de. Klik achtereenvolgens op ‘Mehr wissen’ en ‘Die Sache mit der Dominanz’.
Vertaald door Sandra Hurkmans  (www.doghouserock.nl), voor de internet-versie van deze tekst kijk op de Doghouse Rock-website, ga naar Training en vervolgens naar Leiderschap.

Dominantie (2): De voorouders van onze hond
Christina Sondermann (vertaald door: Sandra Hurkmans)

In het vorige deel hebben we gekeken naar de verwanten van onze huishond, de wolven. Dit was vooral omdat hun manier van leven en hun roedelstructuur vaak worden gebruikt als argument voor bepaalde opvattingen over het opvoeden van onze honden en de manier waarop wij met onze honden samenleven en omgaan. Kennis van de nieuwe waarnemingen bij wolven is belangrijk om te helpen begrijpen dat de dominantie- en roedeltheorieën achterhaald zijn. Het is echter weinig productief om uitsluitend naar de wolvenroedel te kijken en wolvengedrag als de enige basis te nemen voor de verklaring van het gedrag van onze honden.

De voorouders van onze hond

De Amerikaanse hondenwetenschappers en gedragsbiologen Raymond en Lorna Coppinger hebben in 2001 de resultaten van hun jarenlange onderzoekswerk gepubliceerd in het boek Dogs: a Startling New Understanding of Canine Origin, Behavior, and Evolution. Hieruit blijkt dat waarschijnlijk niet de wolvenroedel, maar de afvalhopen bij de eerste mensendorpen aan de wieg stonden van onze huishond.

Van wolf tot hond: wat we tot nu toe aannamen

Er was eens een tijd dat er wolven, jakhalzen en coyotes bestonden, maar geen honden. En op zeker moment waren er honden, en deze waren anders dan wolven, jakhalzen en coyotes. Zo leven wolven in het wild, vermijden zij mensen en doden zij hun prooi. Honden daarentegen leven rondom woningen van mensen en laten zich door hen voeren. Daardoor zijn ze te temmen en te trainen. Dat is genetisch zo verankerd.

Er heeft dus een genetische verandering plaatsgevonden om van een wild dier een hond te maken. Tot nu toe gingen de meeste mensen ervan uit, dat dit gebeurde door zogeheten ‘kunstmatige selectie’. Dat wil niets anders zeggen dan dat de vroege mens een wolvenwelp adopteerde, hem temde en trainde en hem met andere op dezelfde manier getemde wolven kruiste. En daaruit kwam de gedomesticeerde hond voort. De volgorde van de gebeurtenissen is bij deze denkwijze als volgt: (geleerde) temming à (geleerde) trainbaarheid à (genetische) domesticatie.

Wat is er mis met deze opvatting?

De Coppingers hebben op een begrijpelijke manier verklaard, waarom dat niet op deze manier kan zijn gebeurd.

  1. Een wolf is nauwelijks te temmen
    De ervaring met het opvoeden van wolvenwelpen heeft geleerd, dat wolven hun angst voor de mens weliswaar kunnen afleren, maar dat zij zich nooit als een hond zullen gedragen. Voor zover deze beperkte mate van temmen mogelijk is, moet daarin veel moeite worden gestoken. Zo moet de welp, voor hij op de leeftijd van 2 weken oud de ogen opent, worden weggehaald bij zijn roedel. Het organiseren hiervan valt niet mee. Er zijn goedgebouwde omheiningen nodig om te voorkomen dat de wolf wegloopt. Zelfs moderne wolfhybriden (kruisingen tussen wolven en honden) zijn moeilijk in de omgang en nauwelijks als huisdier te houden. Het is niet erg aannemelijk dat de vroege mens de grote investeringen in tijd en moeite die hiervoor nodig zijn, wilde en kon doen.
  2. Wolven zijn nauwelijks te trainen
    In een wolvenpark werd de wolven geleerd aan de lijn te lopen en zich van het ene naar het andere omheinde gebied te laten brengen. Veel meer dan dit kon men door middel van training niet bereiken. Een zeer duidelijke aanwijzing voor hoe moeizaam het is om wolven te trainen, is het feit dat er geen circusnummers bestaan waarin wolven optreden.
  3. Wolven zijn genetisch niet te domesticeren
    Zelfs als men erin slaagt individuele wolven enigszins te temmen en te trainen, verandert daarmee hun genetische aanleg nog niet. Geleerde tamheid en getrainde eigenschappen zijn niet erfelijk. Ook als je ervan uitgaat dat onze voorouders zagen dat er in iedere populatie wolven enkele exemplaren zijn die iets makkelijker te temmen zijn, was het nog nauwelijks mogelijk geweest om deze exemplaren met elkaar te kruisen.
    Het valt verder te betwijfelen dat de al op een vaste plaats gevestigde mens een grote populatie wolven in zijn nabije omgeving had en daarbij ook nog eens in staat was de tammere exemplaren daaruit te isoleren, zodat hij ermee kon fokken. Daar komt nog bij dat aangenomen wordt dat er 15.000 jaar geleden uitsluitend wolven waren, terwijl er in 8.000 voor Christus al diverse hondenrassen bestonden. Deze tijdsspanne is te kort om wolven door kunstmatige selectie te domesticeren.

Hoe ging het dan wel?

Raymond en Lorna Coppinger gaan ervan uit, dat de wolven EERST genetisch moesten veranderen, voordat zij überhaupt door ons mensen gedomesticeerd konden worden.

Na die genetische verandering hebben onze huishonden zich door zogeheten ‘natuurlijke selectie’ verder ontwikkeld. De dieren pasten zich vanzelf aan een nieuwe of veranderende ecologische niche aan – en die niche had in dit geval iets met ons mensen te maken.

Het zou bijvoorbeeld zo kunnen zijn gegaan: op zeker moment ging de vroege mens zich op een bepaalde plek vestigen en stichtte hij dorpen. Daarmee schiep hij een nieuwe ecologische niche. Deze dorpen boden namelijk voedsel, veiligheid en goede voortplantingsmogelijkheden. Enkele wolven namen deze niche in en kregen toegang tot een nieuwe voedselbron: zij aten van de menselijke mestvaalten, zij leefden van etensresten en van latrines. De wolven die dit deden, moesten al een genetische aanleg hebben voor een, naar wolvenbegrippen, korte vluchtafstand. Degenen die genetisch een grotere vluchtafstand hadden, waren angstiger en liepen veel eerder weg dan hun soortgenoten met de kortere vluchtafstand. De van nature tammere wolven hadden betere voorplantingsmogelijkheden. Zij konden meer en langer eten van de menselijke vuilnisbelt en verbruikten hierbij ook nog eens minder energie. Deze energie konden zij vervolgens in hun voortplanting steken.

Hierdoor begon de wilde wolf, canis lupus, zich in twee populaties te splitsen. De ene populatie kon op de mestvaalt bij menselijke nederzettingen leven. De andere kon dit niet en bleef in de wilde natuur leven.

De hondachtigen die in de buurt van menselijke nederzettingen leefden, gingen er uiteindelijk meer en meer als honden uitzien. Zij hadden een kleiner lijf, een kleinere kop, een kleinere neus en kleinere hersenen dan wolven. Dit was een optimale aanpassing aan hun ecologische niche: zij hadden constant voer, maar in vergelijking met jagende wolven had hun voer een lage energetische waarde. Hun lichaam moest dat voer dan ook goed benutten. Een groot lichaam en grote hersenen hadden voor deze hondachtigen geen meerwaarde en betekenden dus energieverspilling.

Pas na deze genetische veranderingen ten opzichte van de wolf, werden deze hondachtigen tem- en trainbaar door mensen.

De Coppingers stellen dan ook dat minstens een deel van een bepaalde populatie wolven zichzelf moet hebben getemd. De volgorde van de gang van zaken is bij deze gedachtengang als volgt: domesticatie à van nature ontstane tamheid à van nature ontstane trainbaarheid.

Waarom is het van belang of de hond door kunstmatige of door natuurlijke selectie is ontstaan?

Het kleine verschil tussen honden en wolven is ongeveer net zo groot als het verschil tussen mensen en apen. Het gedrag van honden vergelijken met dat van wolven, is volgens de Coppingers hetzelfde als wanneer wij menselijk gedrag zouden afleiden van het gedrag van apen. Weliswaar zijn wij mensen verwant aan apen, maar wij gedragen ons niet als apen en wij denken ook niet hetzelfde. En niemand zou op het idee komen om voortdurend apengedrag te gebruiken als verklaring voor menselijk gedrag.

Precies hetzelfde geldt voor de hond en de wolf. De wolf is niets anders dan een verre neef van de hond. Het gedrag en het uiterlijk van de wolf weerspiegelen zijn aanpassing aan de natuur, dat van de hond zijn aanpassing aan zijn gedomesticeerde leven. De twee verre neven zijn aangepast aan twee verschillende niches en zijn daarmee twee zeer verschillende dieren.

Dit onderscheid is daarom van belang, omdat veel mensen er niet alleen nog altijd van uitgaan dat de hond wolfachtige eigenschappen heeft, maar dat hij die ook nog eens in dezelfde mate heeft en dat hij precies zo denkt als een wolf. Wij weten nu: honden hebben geen wolvenhersenen – zij denken niet als wolven. Sterker nog: als wij mensen van onze honden wolfachtig gedrag verwachten en ons zelf als wolven (proberen te) gedragen, kan het gebeuren dat wij door onze honden gewoon niet begrepen worden en alleen maar voor verwarring zorgen!

Honden zijn dus anders. Maar hoe dan?

Een wezenlijk verschil tussen honden en wolven is dat de voorouders van onze huishonden niet in roedels leefden. Het waren weliswaar sociale, maar tegelijkertijd ook halfsolitaire dieren!

De Coppingers hebben een hondenpopulatie op het Oost-Afrikaanse eiland Pemba geobserveerd. De honden die daar leven zijn van niemand en worden niet bijzonder gewaardeerd. Zij zijn er gewoon. De Coppingers gaan ervan uit, dat deze honden geen verwilderde kruisingen van rashonden zijn – die zijn er op Pemba ook nooit geweest – maar directe afstammelingen van de oorspronkelijke honden: de voorouders van onze huishond.

Net als de “dorpshonden” in vele landen over de hele wereld zijn de honden op Pemba feitelijk geen huisdieren. Zij leven weliswaar rondom de huizen, maar ze hebben geen naam, zij laten zich niet roepen of aaien, zij gaan mensen liever uit de weg en ze worden niet gevoerd. Zij voeden zich met het afval en de restjes rondom de woningen. Levende dieren eten zij in de regel niet. Zij verspillen geen energie aan het volgen en jagen van prooidieren. Eten vinden betekent voor hen, daar te zijn waar eten voorhanden is, en dat is vooral op de vuilnisbelten en mestvaalten. Met het “roofdier wolf” hebben zij weinig meer gemeen.

Terwijl de wolf bij wijze van overlevingsstrategie een roedel moet opbouwen om, met een bepaalde verdeling van taken, samen te kunnen jagen en welpen groot te kunnen brengen, is dat voor de dorpshonden helemaal niet nodig. Als sociale wezens zijn zij weliswaar in staat met andere individuen samen te leven, maar zij hebben geen sociale structuur nodig om afval te vinden. Als het op eten aankomt, zijn andere honden veeleer concurrenten. Het heeft voor dorpshonden geen voordelen om met andere honden samen te werken. Zij zoeken naar en wachten op eten – alleen! Als groep zal men alleen een moeder met haar kroost zien samenleven op één en dezelfde vuilnisbelt. Deze groepen omvatten zelden meer dan drie dieren. De aandacht van de dorpshonden is volledig op menselijke activiteiten gericht – zoals dat bij onze honden ook is.

Vorig deel van deze serie: Dominantie en volgend deel: Wat betekenen deze bevindingen voor ons en onze honden?

Oorspronkelijke titel: “Die Sache mit der Dominanz”
Op internet te lezen via www.spass-mit-hund.de. Klik achtereenvolgens op ‘Mehr wissen’ en ‘Die Sache mit der Dominanz’.
Vertaald door Sandra Hurkmans  (www.doghouserock.nl), voor de internet-versie van deze tekst kijk op de Doghouse Rock-website, ga naar Training en vervolgens naar Leiderschap.

Dominantie (3): Wat betekenen deze bevindingen voor ons en onze honden?
Christina Sondermann (vertaald door: Sandra Hurkmans)

In de delen hiervoor, Dominantie en De voorouders van onze hond, hebben we gekeken naar de verwanten van onze huishond, de wolf. Uit nieuw onderzoek blijkt dat een wolvenroedel in de natuur niet zozeer bestaat uit alfadieren die de roedel met ijzeren vuist bestieren, maar uit een ouderpaar dat hun welpen met veel rust en geduld grootbrengt.
Vervolgens hebben we gezien dat wolven niet door mensen werden gedomesticeerd, maar dat betrekkelijk tamme exemplaren er baat bij hadden om zich in de nabijheid van de mens te vestigen vanwege de voedselrijke mestvaalten. Verder hebben we gezien dat de voorouders van onze honden, de “dorpshonden” zoals die nu nog in veel warme landen te zien zijn, niet zozeer in roedelverband leven, maar sociale doch halfsolitaire dieren zijn. Het roedelverband hebben zij door hun manier van leven dan ook niet nodig.

Wat betekenen deze bevindingen voor ons en onze honden?

Laten wij nu deze nieuwe onderzoeken in de wetenschap der hondachtigen even neerleggen en onze blik verleggen naar ons eigen, persoonlijke exemplaar – dat wellicht in de tijd die u aan dit artikel wijdde, heeft gebruikt om een niet-afgesloten vuilnisemmer te plunderen of enkele zakken heeft gerold ;-).

Een en ander nog eens samenvattend, weten we nu het volgende:

  • Het leven in een roedel is helemaal niet wat wij ons tot nu toe hadden voorgesteld en lijkt niet op wat wij altijd hebben gebruikt als basis voor het samenleven met onze honden. De “roedelleiders” zijn niets anders dan zorgzame ouders. Conflicten zijn er hooguit wanneer deze dieren in gevangenschap onder stress leven. Geregelde rangordeconflicten, het streven naar de macht, autoritair gedoe en het afdwingen van gehoorzaamheid komen binnen een wolvenfamilie niet voor.
  • Roedelverbanden zijn voor onze eigen viervoeters helemaal niet zo belangrijk. Het zijn weliswaar sociale wezens en zij kunnen in groepen samenleven, maar vanuit hun ontstaansgeschiedenis zijn zij erop geprogrammeerd op de vuilnisbelten van de mens te wachten tot hun eten zich aandient en daarbij puur hun eigen belang te dienen. Zij zijn weliswaar verwant aan de wolf, maar het zijn geen wolven en zij denken dan ook anders.

Zelfs al nemen wij de familie-idylle van de wolvenroedel als voorbeeld voor de verhouding met onze hond, dan nog weten wij nu dat roedelstructuren en rangorde nauwelijks van belang zijn als uitgangspunt voor hondengedrag en geen maatstaf kan vormen voor ons samenleven met onze viervoetige vrienden.

Natuurlijk werpt dit direct een hele hoop nieuwe vragen op. Wat heeft dan wel invloed op ons samenleven met onze honden? Volgens welke principes gedraagt de hond zich dan? En hoe kunnen wij dan samen verder? Het zou gewaagd zijn dit in een paar regeltjes uiteen te willen zetten. Je kunt echter ver komen als je één ding weet:

Honden zijn egoïsten…

Dat is op zich helemaal niet negatief. Het zijn misschien wel de meest beminnelijke egoïsten die wij kennen. Bovendien zijn ze uiterst vriendelijk en in de regel vermijden ze liever conflicten. Maar je moet er wel van doordrongen zijn: honden doen en herhalen datgene dat voor hen loont, en zij laten dat wat geen succes oplevert. Honden zijn op hun eigen voordeel uit en pakken dat wat ze kunnen. Hierbij is geen enkele sprake van kwade wil. Ze verschillen hierbij geenszins van enig ander levend wezen – inclusief de mens!

Maar wees niet bang. Wij zijn niet willoos aan hun doen en laten overgeleverd. Feitelijk geldt het omgekeerde. Want uiteindelijk hebben WIJ alles in de hand wat onze hond interesseert. Wij beschikken over alles wat zij nodig hebben: voer, aandacht, een dak boven het hoofd, veiligheid en zekerheid. Dit beheren wij allemaal. Men noemt dit ‘controle over de bronnen’. Deze ‘bronnen’ kunnen wij nuttig gebruiken. Wij gebruiken ze als ruilmiddel om de hond ertoe te brengen met ons samen te werken. “Als jij doet wat IK wil, dan krijg jij wat JIJ wilt”. Als wij de regels hiervoor bepalen, werkt onze hond graag met ons mee. Feitelijk is de hond op zijn eigen voordeel uit – en daarbij kan hij op geen enkele manier om ons heen. Eigenlijk heel erg eenvoudig, toch?

… en honden zijn geheel aan ons overgeleverd!

Daarbij moeten wij één ding niet vergeten. Juist omdàt wij controle over alle bronnen hebben en daarmee de beschikking hebben over alles wat in een hondenleven belangrijk is, dragen wij een enorme verantwoordelijkheid voor alles wat er in het leven van de hond gebeurt. Wij zijn het onze hond verschuldigd om bewust en verantwoordelijk met hem om te gaan. Dat heeft niets met ‘roedelleiderschap’ of ‘dominantie’ te maken. Het heeft alles te maken met het feit dat ons een levend wezen is toevertrouwd, waarbij wij beschikken over zijn lot. Wij bepalen het hele leven van onze hond. Daarmee zijn wij hem verplicht om ons diepgaand bezig te houden met zijn gezondheid en zijn natuurlijke behoeften.

Onze honden communiceren voortdurend met ons. Zij vertellen ons continu hoe ze zich voelen, wat zij willen, wat hen bang maakt, wat zij leuk vinden. Zij kunnen niet anders. Alleen hebben WIJ er soms problemen mee om naar ze te luisteren en te begrijpen wat ze ons vertellen. Maar al te snel levert het rangordemodel in ons achterhoofd allerlei verklaringen op voor het gedrag van onze hond, die ertoe leiden dat wij onze hond soms totaal verkeerd begrijpen of hem zelfs onrecht aandoen en hem lichamelijk of mentaal onder druk zetten. Als onze gedachten niet meer voortdurend in cirkeltjes rondom dominantie en rangorde draaien, kunnen wij veel beter zien wat er nu ècht in onze viervoeters omgaat. En dan kunnen wij het ons veroorloven om onze hond met begrip te benaderen. Wij hoeven dan niet bang te zijn ‘zwakte’ te tonen en onze positie in de ‘rangorde’ te verliezen.

Was er niet nog iets…?

Misschien herinnert u zich nog de hond uit de inleiding. Die hond met de zogenaamde dominante gedragingen, met kleine en grote problemen. Ons verhaal over dominantie heeft u misschien een beetje helpen begrijpen dat ‘dominantie’ geen verklaring vormt voor ieder hondenprobleem. Wij geven hier enkele voorbeelden hoe gedrag gedrag dat maar al te vaak als ‘dominantieprobleem’ wordt betiteld, op een andere manier verklaard kan worden. De nadruk ligt op “kan worden”, want geen enkel gedrag laat zich over één kam scheren en universele verklaringen voor een gedrag bestaan niet. Ter zake:

  • De hond die graag op de bank ligt… streeft niet naar macht, maar is vermoedelijk gewoon op comfort gesteld. Als onverbeterlijke egoïst probeert hij om deze voor hem uiterst aangename plek op slinkse wijze te veroveren. Een andere hond heeft misschien heel andere voorkeuren. Zo zal een Newfoundlander met zijn dikke vacht waarschijnlijk de voorkeur geven aan de koele tegelvloer op de grond boven het warme plekje op de bank voor de open haard. En wel om precies dezelfde redenen: comfort.
  • De hond die als eerste door de deur sprint… is mogelijk nogal opgewonden als hij wordt uitgelaten en zijn eigenaar heeft hem nooit geleerd om te wachten bij de deur. Als de eigenaar dit belangrijk vindt, is het dus niet de fout van de hond, maar die van de eigenaar zelf.
  • De hond die soms niet luistert… heeft waarschijnlijk nog niet genoeg met zijn mens geoefend. Wil een oefening bij alle soorten afleidingen lukken, dan is veel training nodig!
    Misschien verwachten wij op dat moment het onmogelijke van onze hond – en daar trekken wij vervolgens de conclusie uit dat hij ‘ongehoorzaam’ is. Daarbij straffen wij hem voor ONS EIGEN verzuim en bestempelen hem op de koop toe als ‘dom’ of ‘dominant’.
  • De hond die zijn voer verdedigt… is absoluut geen tiran die maling aan ons heeft en die strijdt om de macht in de roedel. Meestal is de hond gewoon bang dat iets van hem wordt weggepakt. Meestal komt dit door slechte ervaringen in het verleden – en wel met ons, mensen.
  • De hond die uitvalt naar soortgenoten… daarvan wordt meestal teveel van gevraagd, terwijl hij onzeker is in de omgang met andere honden of zelfs bang is voor ze. Hebben wij hem misschien onvoldoende gesocialiseerd? Misschien heeft hij stress door de manier waarop zijn dagelijks leven is ingericht en uit hij die spanning op deze manier? Misschien hebben wij hem onbewust onder druk gezet, omdat wij hem voor zijn ‘foute gedrag’ gestraft hebben en de situatie voor hem alleen maar erger hebben gemaakt?
    Agressief gedrag naar mensen of honden heeft bijna altijd met angst of stress te maken. Op zo’n moment hebben wij een of meerdere signalen waarmee de hond om hulp vroeg, over het hoofd gezien.

Als wij dit soort verbanden begrijpen, zijn wij in staat om onze honden eerlijker te behandelen. Wij kunnen het hoofd koel houden en rustiger bepalen wat de oorzaak is voor een of ander probleem of gedrag. Zo kunnen we meerdere oplossingen bedenken die de hond in zijn recht laten. Bovendien zorgt deze kennis voor een betere kwaliteit van onze omgang met onze honden.

In uw persoonlijke omgang met uw hond…

wordt het samenzijn veel aangenamer, als de dreiging van dominantie niet voortdurend alles beïnvloedt wat u en uw hond doen.

Samenvattend:

Wij mogen gerust onze honden op de bank laten als wij dat willen. Hierdoor komt onze status niet in gevaar. Of wij nu eerst eten of de hond, maakt ook niets uit. Natuurlijk is het wel belangrijk dat wij bepaalde regels stellen. Deze regels geven de hond zekerheid en veiligheid en zij zorgen ervoor dat we fijn met elkaar kunnen samenleven. Net als in ieder huishouden: als geregeld is wie ‘s morgens als eerste in de badkamer mag, is iedereen tevreden. Daarbij is de eerste die gaat niet noodzakelijk degene met de meeste privileges. De een gaat graag vroeger, de ander ligt liever nog ietsje langer in zijn nest. Het voordeel is dat u in uw persoonlijke omgang met uw hond de vrijheid hebt om te bepalen of u degene bent die als eerste gaat, of dat u nog even blijft liggen ;-).

Tegenover dat recht staan echter ook plichten, namelijk om ervoor te zorgen dat uw hond het goed heeft en dat zijn behoeften bevredigd worden – en dat u let op wat hij u te vertellen heeft.

Wij wensen u een ontspannen omgang met uw viervoetige medebewoner!

Vorige delen: Dominantie en De voorvaderen van onze hond

Oorspronkelijke titel: “Die Sache mit der Dominanz”
Op internet te lezen via www.spass-mit-hund.de. Klik achtereenvolgens op ‘Mehr wissen’ en ‘Die Sache mit der Dominanz’.
Vertaald door Sandra Hurkmans  (http://www.doghouserock.nl), voor de internet-versie van deze tekst kijk op de Doghouse Rock-website, ga naar Training en vervolgens naar Leiderschap.

Puberteit bij honden

Je kunt het gewoon voorspellen… Je hond gedroeg zich tot voor kort als een engeltje en ineens gedraagt hij zich alsof hij van de basiscommando‟s zelfs nog nooit gehoord heeft. Wat is er gebeurd? Waarom neemt mijn hond me in de maling?
Dat doet hij niet. Hij zit in die meest gevreesde fase… de puberteit.
Bij een intacte reu piekt de testosteronproductie in deze periode. Deze kan wel driemaal de concentratie bereiken als die van een volwassen reu en sommige honden hebben het hier echt heel moeilijk mee. Maar de puberteit draait niet alleen om testosteron, noch om sexhormonen. Als dat zo was, zou een gecastreerde hond ervoor gespaard blijven. En dat is niet zo. Alle sociale dieren gaan door de puberteit heen. Dit wordt ook vereist door de natuur.

Sociale zoogdieren komen over het algemeen hulpeloos en totaal afhankelijk ter wereld. Als ze volwassen zijn, wordt echter van ze verlangd dat ze volledig onafhankelijk zijn en de volgende generatie kunnen grootbrengen. Tussen die twee momenten moet er dus veel gegroeid, ontwikkeld en geleerd worden. De puberteit is de fase waarin de natuur vereist dat ze leren zelf beslissingen te nemen op basis van hun eigen inzichten. “Omdat ik het zeg” is niet goed genoeg meer. Ze worden er biologisch toe gedreven om zich van hun ouders los te maken en dingen op hun eigen manier te doen. Het is geen rebellie. Het is de natuur.

Nu kun je wel zeggen “Maar honden worden niet onafhankelijk. Ik wil niet dat mijn hond zelf beslissingen neemt!” Onzin – natuurlijk wil je dat wel. Denk er eens aan hoe het was toen je pupje 8 weken oud was. Denk eraan hoeveel tijd je kwijt was, terwijl je ieder aspect van zijn leventje regelde. Vergelijk dit eens met een oudere hond die het allemaal al eens gezien en gedaan heeft. Die hond verdient misschien geen salaris, maar hij kent zijn wereldje binnenste buiten en is veel betrouwbaarder, voorspelbaarder en volwassen. Nou, om dat punt te bereiken moet je door de puberteit heen :-).
Hoe je ermee omgaat? Zorg ervoor dat ze alle kans krijgen om de juiste keuze te maken en zorg ervoor dat die juiste keuze heel, heel erg belonend is. Werk flink aan het leggen van dit fundament, namelijk dat de basisoefeningen “het allerbeste zijn dat je als hond kan overkomen”.
Naast deze biologische noodzaak, ondergaan de hersenen van de puppy een ongelooflijke fysieke verandering. Zenuwvezel voor zenuwvezel ontwikkelen deze zich tot een doelgerichte denkmachine. In de tijd ertussenin is het brein echter bepaald geen efficiënte denkmachine – en al helemaal niet tijdens de puberteit.

Daarom kunnen pubers het ene moment nadenken en het volgende moment… niet. Sterker nog, de prikkels die door de (bewust denkende) hersenschors zouden moeten gaan, worden direct omgeleid via het limbisch systeem, dat primaire reacties en emoties bestuurt. Hierdoor krijg je totaal overtrokken reacties. Dit zie je ook bij mensenpubers:
“Zet jij de vuilnis even buiten?” “Je haat me! Dat zou je me nooit vragen als je me ook maar een beetje begreep! Je luistert nooit naar me! Ik haat je en ik wil je nooit meer zien!”
Als je later vraagt waarom de puber zo reageerde, zegt hij “Ik weet het niet”. En hij weet het ook echt niet. Hij had op dat moment geen controle over die emoties, maar een kleine kortsluiting in de hersenen.
De puberteit begint bij honden rond 6-7 maanden. Officieel duurt hij tot de hond volwassen is, ergens tussen 3 en 4 jaar. Maar de absoluut ergste fase – de periode waarin hun hersentjes wel heel weinig aankunnen – is meestal na de eerste 2 tot 3 maanden wel voorbij.

Kort op een rijtje:

7-10 maanden, vroege puberteit. Dit is de moeilijkste periode van de puberteit. Mini-hersentjes. Als niet gecastreerd, hoge concentraties hormonen. De wittebroodsweken van de puppytijd zijn voorbij! Dit is vaak ook de tijd wanneer problemen met het temperament boven komen drijven. Sommige honden worden erg reactief in deze periode en binnen een roedel kunnen onderlinge problemen ontstaan.

11 maanden-3 jaar, puberteit. Veel veranderingen tijdens deze lange periode. De hond vormt zich van een emotioneel, onderontwikkeld, 12-jarig jochie via een slungelige puber tot een jong volwassene. De „mini-hersen‟-momenten worden langzaam minder. Maar met de fysieke volwassenheid komt ook de sociale volwassenheid en soms zijn er „problemen‟ die vaak samenhangen met groeispurten. Agressie komt vaak vroeg in deze fase voor het eerst bovendrijven, grofweg tussen 12-18 maanden.
3 jaar en ouder, volwassenheid. De hormoonconcentraties trekken bij. De hond groeit niet meer. Honden zijn ergens tussen 3 en 4 jaar fysiek volwassen. Sommigen worden mentaal nooit volwassen ;-). Anderen worden rustiger en evenwichtiger in deze periode. De snelheid van het volwassen worden verschilt sterk van ras tot ras.

Samenvattend, de puberteit bij honden is rond 7 tot 10 maanden op zijn ergst, waarna deze gestaag verbetert en overgaat als de hond tussen 3 tot 4 jaar volwassen wordt. In grote lijnen is de “verbeteringscurve” vrij lineair – als hij 2 jaar is, is de hond anders dan met 18 maanden – maar van dag tot dag bekeken is er geen pijl op te trekken. Je hond heeft vandaag misschien hersenen. Maar misschien ook niet.
Op de dagen dat zijn hersenen gevlogen lijken, vat het dan niet persoonlijk op. Hij is niet koppig. Hij kan echt niet nadenken. Maak alles dus heel simpel en eenvoudig voor hem. Bij een mensenpuber zijn dat de momenten waarop je een geschreven lijstje meegeeft in plaats van een mondeling verzoek. Of neem een dagje vrij en geef je hond een kans om informatie te verwerken en, misschien, een eh… helder moment te beleven.

Oorspronkelijke titel: Canine Adolescence (copyright: Melissa Alexander)

www.clickersolutions.com

http://www.reinventing-melissa.com

Met toestemming vertaald door: Sandra Hurkmans, http://www.doghouserock.nl

Welk eten is giftig voor honden?

Niet alles wat mensen kunnen eten is goed voor honden. Sommige etenswaar is zelfs erg giftig voor honden. In dit artikel lees je waar je op moet letten en welk eten je zeker niet moet laten rondslingeren in huis. Bekijk de poster voor een overzicht voor wat giftig is voor honden. In dit artikel licht ik al het giftige eten van de poster toe en noem ik nog een aantal andere etenswaren waar je op moet letten.

Chocolade
Het stofje theobromine in chocola is zeer giftig voor honden en katten en heeft effect op het zenuwstelsel en het hart. Hoe puurder de chocola hoe meer theobromine het bevat. Witte chocolade bevat zeer weinig, maar een reep pure chocolade van 180 gram kan een Jack Russel vergiftigen. Bakkerschocolade is zelfs nog giftiger, met 180 gram legt een Golden Retriever al het loodje. Laat dus geen chocolaatjes op plekken staan waar de hond er bij zou kunnen, want honden vinden chocola meestal lekker. Pas ook op met de feestdagen wanneer er veelal chocoladeletters, paaseieren en kerstkransjes in het huis te vinden zijn. Neem direct contact op met je dierenarts als je hond chocolade heeft gegeten.

Alcohol
Alcohol is niet goed voor onze lever, maar de schade die onze hondenvrienden hierdoor oplopen is veel groter. Alcohol kan diarree, braken, ademhalingsproblemen en coma veroorzaken. Geef je hond dus geen slokje mee.

Koffie
De cafeïne in koffie (en tevens te vinden in cola, thee en energie drankjes) is zeer slecht voor een hond en kan in een hoge hoeveelheid dodelijk zijn. Bij een cafeïnevergiftiging versnelt het ademhalen en de hartslag, treden er inwendige bloedingen op, de hond gaat trillen en krijgt ongecontroleerde spierbewegingen. Er is geen behandeling mogelijk tegen een overdosis. Pas ook op met rondslingerende theezakjes.

Avocado
De schil, pit en plant van de avocado zijn niet alleen giftig voor honden, maar ook andere zoogdieren en vogels. Het giftige persine uit deze vrucht kan leiden tot alvleesklierontsteking, ademhalingsproblemen en vochtophopingen in vitale organen van de hond.

Druiven en rozijnen
Door welk stofje druiven en rozijnen giftig zijn is nog niet bekend, maar het eten ervan kan leiden tot nierfalen en uiteindelijk de dood. Druiven kunnen vergiftigen vanaf 20 gram per kg lichaamsgewicht. Rozijnen veel sneller, namelijk vanaf 3 gram per kilo lichaamsgewicht. Ook pitloze druiven zijn giftig. Pas ook op met krentenbollen, sultana’s en andere producten waar krenten of rozijnen in zitten.

Rauwe aardappelen
Ongekookt zijn aardappels giftig door de solanine die er in zit. Vooral de schil en uitlopers zijn gevaarlijk. Zowel een hond als mens kan een aardappel vergiftiging oplopen. Eenmaal gekookt kan je hond gerust een aardappel eten. De solanine blijft dan achter in het water.

Noten
Noten zijn niet goed voor honden. Vooral Macadamianoten kunnen voor problemen zorgen en invloed hebben op de zenuwstelsel en spieren. Walnoten kunnen giftige schimmels bevatten. Indien een hond een pinda-allergie heeft kan een pinda of pindakaas dodelijk zijn. Pindakaas wordt soms wel aan honden gegeven, maar is erg vet en kan zorgen voor diarree of overgeven. Wil je toch wat pindakaas geven doe dit dan gematigd.

Tomaten
Alle groente uit de nachtschadefamilie (tomaat, paprika, aubergine) kunnen allergische reacties veroorzaken en ontstekingen verergeren. De komkommer en courgette behoren niet tot de nachtschadefamilie en mogen gegeten worden door een hond.

Xylitol
De zoetstof xylitol wordt gebruikt in suikervrije producten zoals kauwgom, snoep, tandpasta en producten voor diabetici. Door het eten ervan kan een hond in coma raken en uiteindelijk overlijden.

Uien en knoflook
Uien en knoflook hebben effect op de rode bloedlichaampjes van de hond wat bloed armoede kan veroorzaken. Tevens kunnen ze darm- en maagkrampen veroorzaken. Overigens is knoflook minder schadelijk dan ui. Er bestaan zelfs knoflook snoepjes voor honden, maar ik vermijd deze liever. Tevens familie van de ui, waaronder de prei en bieslook hebben het zelfde effect op honden. Ook gekookt of in poedervorm blijft het giftig.

Champignons
Champignons en paddenstoelen kunnen een shock veroorzaken en uiteindelijk dodelijk zijn voor honden.

Rauw varkensvlees
Rauw varkensvlees kan de ziekte van Aujeszky bevatten. Deze ziekte is altijd dodelijk voor honden en katten, maar ongevaarlijk voor mensen. In veel Europese landen komt de ziekte niet meer voor, maar in een land zoals Spanje kan je hond het oplopen. Ik kies er zelf voor om helemaal geen varkensvlees te geven.

Zout
Zout wordt soms ten onrechte gegeven om hem te laten braken als hij iets gevaarlijks heeft gegeten. Dit kan echter een zoutvergiftiging veroorzaken. Hierdoor kan een hond gaan overgeven, veel drinken en last van diarree krijgen. Uiteindelijk kan het epileptische aanvallen veroorzaken en de hond kan er aan overlijden.

Pitten
De pitten van appels, kersen, abrikozen, nectarines, pruimen, etc bevatten blauwzuur en zijn in grote hoeveelheden giftig. Wil je dit fruit aan je hond geven, verwijder dan de pitten.

Melkproducten
Melk of melkproducten zoals yoghurt of kaas is niet giftig voor honden, maar teveel kan diarree veroorzaken. Soms een stukje kaas of wat smeerkaas in zijn Kong kan dus geen kwaad.

Medicijnen
Let op dat je hond geen medicijnen te pakken kan krijgen uit openstaande kastjes of een handtas die open staat. Geef ook geen pijnstillers of medicijnen die voor mensen bedoeld zijn. Een enkele paracetamol kan al dodelijk zijn voor een kleine hond. Een hond zal gaan braken, wordt suf, krijgt diarree en kan leverproblemen krijgen. Alleen als je er op tijd bij bent is er kans op herstel.

Heeft je hond iets gegeten wat je niet vertrouwd, neem dan zo snel mogelijk contact op met je dierenarts. Geef de hond geen zout aangezien dit een zoutvergiftiging kan veroorzaken.

Oververhitting door een te dikke vacht?

Er bestaat veel onwetendheid over hyperthermie, of oververhitting bij dieren. In veel gevallen worden vachten afgeschoren, uitgedund of van de onderwol ontdaan.Ik wil graag een lans breken voor het behoud van een intacte vacht…Ik hoop dat dit onderbouwende verhaal duidelijk is voor professionele vachtverzorgers èn voor eigenaren…

Het lichaam van de hond moet een constante temperatuur houden, 38 tot 39 graden, afhankelijk van de grootte van het dier. De dekharen, de onderwol, de huid en de onderhuid (met vetcellen) vormen samen de isolerende factor. In elk seizoen moet de lichaamstemperatuur constant blijven. Dat geldt dus zowel voor buiten wandelen bij –15 als voor de kachel met +25 graden Celsius.
En in de zomer; liggend in de zon of op een tochtend hoekje op het terras, binnenin het hondenlijf blijft het steeds 38 tot 39.

De vacht is ‘slechts’ een onderdeel van de isolatie, maar wel een heel belangrijk deel.
Denk eens aan je thermoskan, die bij het schaatsen de chocolademelk warm houdt en ‘s zomers de limonade koel. Zou je die dranken in een gewone, enkelwandige fles doen dan koelde je chocolademelk af en werd de limonade warm. De dikte van de wand, en dan vooral de isolerende luchtlaag ertussen, is dus duidelijk van belang. Die luchtlaag is in ruime mate aanwezig tussen de haren, en dan met name in de onderwol in de vacht.
Bovendien werkt de vacht als een parasol, zodat de zonnestraling niet direct de zongevoelige huid bereiken kan. Zonverbranding door UV-B straling, en DNA-schade door UV-B straling wordt door een intacte, gepigmenteerde vacht tegengegaan. (Zeer kortharige en wit/lichtgetinte dieren zijn dus extra gevoelig).
Vergelijk de werking van de thermoskan maar weer eens als deze in de badtas tussen de handdoeken zit of juist pal in de zon staat…

BONTJAS…?
Helaas wordt de vacht van huisdieren ten onrechte als een extra bontjas gezien, maar die vergelijking gaat niet op.
Natuurlijk, als wij in de zomer een bontjas (huid èn ondervacht èn bovenharen van een pelsdier !) dragen krijgen we het ongelooflijk heet. Maar wij hebben een ander regulatiesysteem.
Als mensen in een ‘te warme’ omgeving zijn ( +25 graden) of zelf warmte-overschot creëeren door inspanning wil ons lichaam die warmte kwijt. De bloedvaten verwijden zich (de huidhaarvaten kleuren je vel dan rood) zodat het bloed warmte kan afgeven aan de koelere omgeving. Bovendien voeren exocriene (op de huid uitmondende ) zweetklieren lichaamsvocht af. Daarbij verlaat niet alleen vocht maar ook warmte het lichaam. En nog mooier is dat dat vocht verdampt op de huid, wat ook weer verkoeling geeft.

Dit systeem werkt niet bij pelsdieren. Hun zweetkliertjes, uitmondend in de haarzakjes hebben een functie om huid en haar in conditie te houden (samen met talgkliertjes) maar met warmte-afvoer heeft dat niet van doen. De exocriene kliertjes in de voetzooltjes zijn vooral bedoeld om geursporen achter te laten, daarom vindt een opgejaagde, gevluchte hond jou en de auto terug in het bos. Zo’n klein oppervlak bergt te weinig zweetklieren om een heel hondenlijf af te koelen.
De voeten in een bak koud water zetten heeft weinig zin. De bloedvaten in de onderpoten zullen zich dan toeknijpen, zoals dat gebeurt in sneeuw…

GEEF DE HOND ZIJN ZIN…
Wat is dan wel de manier om met een volbehaard huisdier de zomer veilig door te komen?
Laten we eens kijken wat het beestje zelf doet…
Allereerst valt het op dat een hond al snel gaat hijgen, zowel bij inspanning als in een warmere omgeving. Het is een mechanisme waarbij de warmte via de ademhaling aan de omgeving wordt afgegeven. Tegelijkertijd haalt het dier daarmee koelere omgevingslucht binnen, een heel efficient systeem dus. Dat is niet zielig, maar wij raken geattendeerd, bezorgd of misschien zelfs geïrriteerd door dit gehijg. Maar laat hem gewoon hijgen, en beklaag hem niet. De extra aandacht die hij ermee krijgt maakt dat hij graag in jouw buurt komt hijgen. Je beloont hem er immers voor met een vriendelijk woord of gebaar.

Een extra manier om warmte af te voeren is plat op de buik op een koele ondergrond te gaan liggen. De bloedvaten in de schaarsbehaarde oksels en liezen zijn verwijd zodat de verhoogde bloedtoevoer langs die weg veel warmte aan de koude ondergrond kan afgeven. Na een tijdje staat de hond dan op, neemt misschien een slok water (met hijgen verliest hij vocht) en ploft iets verderop neer op een nieuwe koele ligplaats, de vorige is immers verwarmd geraakt. ‘Hij weet niet waar hij het zoeken moet’? Hij weet het juist dónders goed!

Het bioritme van de huishond heeft zich behoorlijk aangepast aan ons leefschema. Tijdens warmere perioden moeten we dit toch liever laten varen. Plan wandelingen in de randen van de dag, blijf tussen 12 en 3 uur ‘s middags uit de (dan sterke) zon en àls er al gespeeld of getraind moet worden (?) doe het dan als ‘s avonds de koelte invalt. Heel veel honden zijn zonaanbidders en je snapt soms niet hoe ze het in de blakerende zon uithouden. Zolang het een gezond dier betreft hoeft dit geen bezwaar te zijn. De koudere ondergrond vormt meestal net de tegenhanger van de hete zon, zodat de lichaamstemperatuur in balans blijft. Voor honden met artrose kan lang op een te koude ondergrond stijfheid opleveren. Overleg dan met de dierenarts of medicatie mogelijk is.
Wees je er wel van bewust dat een dunne of getrimde vacht, zeker met weinig tot geen pigment, zonnestraling doorlaten. Het dier zelf heeft daar geen weet van en kan verbrandingen en erger oplopen. Ook (niet tot) matig gepigmenteerde, kortbehaarde oren en snuiten van ‘normale vachten’ zijn gevoelig voor zonnebrand en uiteindelijk voor huidtumoren. Laat de zonliefhebbers gewoon niet buiten tussen 12 en 3 uur ‘s middags.

Samengevat…laat een hond lekker hijgen, sta hem toe de koelste plek op te zoeken en neem hem niet mee op wandelingen. Laat hem niet werken of in een kleinere ruimte achter. Kortom, laat hem lekker lui zomervakantie houden. Is hij van een erg actief type, dwing hem dan tot rust en laat de bal thuis.

Maar laat zijn onmisbare, huidbeschermende vacht zoveel mogelijk met rust. Voor honden met vachten die getrimd moeten worden is het belangrijk een vachtlengte van zeker anderhalve, bij lichte dieren zelfs meer centimeter, te sparen. Een verstandige trimmer weet ervan.

Verspreid dit bericht gerust….Een fijne zomer gewenst.

Jet en Wim Bijen
Praktijk voor Huid en Vacht – Verstand van Vacht en Vel- Vacht en Vel Leshotel
Wandeldreef 4 Aardenburg

Onderzoek gebruik stroombanden

Onderzoek naar effecten van de stroomband op het welzijn van honden 

Het positief trainen van honden en het daarbij horende gebruik van hondvriendelijke hulpmiddelen lijkt de afgelopen jaren sterk te zijn toegenomen. Toch worden er ook producten verkocht waarvan de werking berust op het corrigeren van de hond. Een voorbeeld hiervan is de stroomband (ook wel schokband of teletakt genoemd)i. De aanschaf van deze banden is dankzij het internet gemakkelijker dan ooit en het gebruik ervan lijkt in bepaalde takken van hondensport een geaccepteerd verschijnsel te worden. Reden genoeg voor de Bond tot Bescherming van Honden (kortweg Hondenbescherming) om de faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht de opdracht te geven onderzoek te verrichten naar het effect van de stroomband op het welzijn van honden. In dit artikel worden de resultaten en belangrijkste conclusies van dit onderzoek samengevat en besproken.

De stroomband: werking, toepassingsgebieden, voor- en nadelen

De stroomband is van origine een Amerikaans product. De werking ervan is eenvoudig. In de band zijn twee elektrodes geplaatst, die via een aan de band bevestigde ontvanger in contact staan met een zender. Via deze zender (een klein kastje met een aantal knoppen) kan de instructeur of hondengeleider door een druk op de knop de hond op afstand een schok of een reeks schokken toedienen. De band wordt gebruikt voor het corrigeren van ongewenst gedrag.

Er zijn in Nederland grofweg een drietal toepassingsgebieden te onderscheiden, waar de schokband wordt gebruikt. Ten eerste zijn dat de kringgroepen en verenigingen1 die zich bezig houden met het trainen van honden voor waak- en verdedigingswerk. De stroomband wordt voornamelijk gebruikt voor honden die de pakwerker niet of niet snel genoeg op commando loslaten, die niet op de juiste manier volgen, maar soms ook bij appéloefeningen als de hond niet (of snel genoeg) een commando uitvoert.

Ten tweede is bekend dat de schokband vooral wordt ingezet bij het trainen van jachthonden en dan vooral om de honden “hazenrein” (d.w.z. de hond afleren om op eigen initiatief achter wild aan te gaan) te maken.

Tot slot wordt de band ook gebruikt tijdens de gedragstherapie, bijvoorbeeld om honden af te leren achter auto’s of schapen aan te gaan. Vaak wordt het gebruikt als laatste redmiddel, d.w.z. alle andere hondvriendelijkere methoden hebben geen resultaat gehad. De stroomband is een omstreden hulpmiddel, dat aanleiding geeft tot verhitte discussies.

Voorstanders noemen dan ook een aantal voordelen: de timing van een te geven correctie zou perfect zijn, onafhankelijk van de afstand; de gegeven correctie zou door de hond niet in verband worden gebracht met de geleider (Stokvis, 1999); het zou een effectieve straf zijn, dat wil zeggen dat een schok effectiever zou werken dan herhaaldelijk toegediende lichtere straffen.

Voordat het door de Universiteit Utrecht gedane onderzoek plaatsvond waren er weinig wetenschappelijke gegevens bekend over de nadelen van het gebruik van de stroomband op het welzijn van de hond, maar er waren wel diverse aanwijzingen voor. Zo toont eerder onderzoek van Beerda e.a. (1998) naar stress bij honden aan dat het toedienen van een drietal lichte schokken leidt tot diverse stress-signalen, zoals een verlaging van de lichaamshouding, het zogenaamde “pootheffen” en een verhoging van het stresshormoon cortisol. Een andere nadeel is dat als de timing van de schok verkeerd is de hond onzeker en angstig kan worden, omdat niet duidelijk is welk gedrag ongewenst is. Daarnaast is ook bekend dat als de hond geconfronteerd wordt met een onaangename, pijnlijke prikkel ongewenste nevenconditionering kan plaatsvinden. In het geval van het krijgen van een schok zou dat dus betekenen dat de hond de pijn die hij voelt koppelt aan iets uit zijn directe omgeving (een andere hond, een brommer, zijn baas), daar bang van wordt of met angstagressie reageert en dat in vervolg zal proberen te vermijden.

1 O.a. de NBG (Ned. Bond van Gebruikshonden) en de VDH (Vereniging van fokkers en liefhebbers van Duitse Herdershonden) en trainingen van diensthonden in opleiding voor het KNPV-certificaat.

Het onderzoek: opzet, resultaten en conclusies

Het onderzoek is uitgevoerd door de ethologen dr. M.B.H. Schilder en mevr. drs. J.A.M. van der Borg en had als doel het effect van de stroomband tijdens training op het gedrag en welzijn van honden te bepalen. Om dit effect op het welzijn van honden vast te stellen, werden zowel de gedragseffecten direct na de schok als eventuele later optredende gedragseffecten bestudeerd.

De directe gedragseffecten op het ontvangen van een schok werden onderzocht door (video)analyse van observaties van de training van 32 waak- en verdedigingshonden. Deze groep bestond hoofdzakelijk uit herderachtige intacte reuen (Mechelse Herders, kruisingen daarvan, Duitse Herders en 1 Rottweiler). In totaal ontvingen deze honden tijdens hun training 107 schokken. Na gedragsanalyses kwamen de onderzoekers tot de volgende resultaten: bij veel honden was een verlaging van de oor- en staartstand zichtbaar, gekoppeld aan hoog blaffen, gillen en janken, deinzen en karakteristieke kopbewegingen en het tonen van stress-signalen tongelen en pootheffen. De conclusie luidt dan ook: de directe reacties van deze 32 honden na het ontvangen van een schok duidden vooral op pijn, angst en stress.

De later optredende gedragseffecten werden vastgesteld door het gedrag van twee groepen honden met elkaar te vergelijken. De eerste groep omvatte 16 honden die tijdens voorgaande trainingen ervaring hadden opgedaan met de stroomband (stroomgroep); de tweede groep bestond uit 15 honden die nooit een schok hadden ontvangen (controlegroep). Alle 31 honden waren raszuivere Duitse herders en afkomstig uit werklijnen. Allen waren afgericht als verdedigingshond en, op drie na, in het bezit van het VH3 certificaat. Alle geleiders trainen bij een kringgroep die aangesloten is bij de Vereniging van fokkers en liefhebbers van Duitse Herdershonden (VDH). De stroom- en controlegroep kwamen zowel wat betreft leeftijd als verhouding tussen reuen en teven met elkaar overeen.

De geleiders van beide groepen honden werd gevraagd om een drietal oefeningen uit te voeren. Deze uitvoering werd opgenomen op video en later werden de beelden, soms zelfs in slowmotion, geanalyseerd. De oefeningen bestonden uit:

  1.  Gedurende twee minuten lopen aan de lijn (zonder commando’s)
  2.  Een viertal eenvoudige appéloefeningen: volgen, zit en af vanuit beweging en hierkomen.
  3.  Manwerk (verdedigingswerk).

Al deze oefeningen werden uitgevoerd op het eigen trainingsveld. Daarnaast werden het lopen aan de lijn en de appéloefeningen ook uitgevoerd op een voor de honden onbekende plaats, meestal een park. De observaties in het park dienden om de mogelijke effecten van de stroomband te bepalen buiten het eigen trainingsveld. Zowel stroom- als controlehonden zouden zich hier ontspannen moeten gedragen.

Tijdens het “vrij” lopen aan de lijn en de appéloefeningen droegen de honden uit de stroomgroep geen stroomband. Bovendien werden, om geen verwarring te krijgen met eventuele directe effecten van schokken, tijdens het manwerk alleen observaties gebruikt waarbij de honden uit de stroomgroep geen schok ontvingen.

Na analyse van de gegevens werd het volgende duidelijk: de stroomgroep vertoont op het trainingsveld tijdens het uitvoeren van alle oefeningen een lagere oorhouding dan de controlegroep. Bovendien tongelen zij vaker en laten vaker “pootheffen” zien2 tijdens de appéloefeningen. Ook loopt de stroomgroep vaker gedrukt tijdens het verdedigingswerk (rugtransport) dan de controlegroep. Ook in het park blijkt de stroomgroep te verschillen van de controlegroep, en is ook hier weer consequent een lagere oorhouding en tongelen zij vaker tijdens de appéloefeningen.

De vergelijking van de controlegroep op het trainingsveld en het park laat verder geen verschillen zien. Echter de stroomgroep laat op het trainingsveld vaker pootheffen en bekaflikken zien dan in het park en ook de staarthouding was op het trainingsveld lager dan in het park.

Opmerkelijk is dat de waargenomen verschillen vooral gelden voor de oorstand en niet voor de staartstand. De stand van de oren lijkt dan ook een ander type emotie weer te geven dan de stand

Tongelen (het een of meerdere keren kort tonen van de tip van de tong) en pootheffen (het optillen van een van beide voorpoten, waarbij de knie gebogen wordt) is in eerder onderzoek al in verband gebracht met stress en worden nu algemeen als stress-signalen geaccepteerd.

van de staart, althans in ieder geval bij deze groep Duitse herders. Weliswaar zijn deze verschillen klein, maar wel consistent, en na statistische toetsing blijkt het verschil tussen beiden niet op toeval te berusten (m.a.w. is significant). Daar een dergelijke houdingsverlaging alsmede het tongelen en het pootheffen in eerder onderzoek (Beerda e.a., 1997) in verband gebracht is met stress, geven de resultaten aan dat de stroomhonden onder een sterkere druk staan op het trainingsveld dan de controlehonden.

Naar aanleiding van deze resultaten kwamen Schilder en van der Borg tot de volgende conclusies:

“Ondanks het feit dat tijdens manwerk sterke beloningen optreden in de vorm van het mogen ‘jagen’ en bijten van een pakwerker, geven de geschokte honden blijk de gekregen schokken als pijnlijk c.q. negatief te ervaren en te koppelen aan hun geleider. Tevens moet geconcludeerd worden dat de positieve effecten van de genoemde beloningen kennelijk niet de herinnering uitvagen aan de verkregen straffen. De aanwezigheid van en het lopen met de geleider geeft voor de honden aanleiding iets vervelends te verwachten, ook buiten het trainingsveld.

Dit betekent, dat het ontvangen van schokken (of eventuele andere, in potentie zeer harde straffen) het latere gedrag beinvloedt, ook buiten het trainingsveld en op een veel later tijdstip. Deze uitkomst van het onderzoek suggereert dat het welzijn van de geschokte honden in het geding is, zeker waar het de directe nabijheid van de geleider betreft.” (Schilder & van der Borg, 2000, p. 3-4).

Literatuur

M.B.H. Schilder en J.A.M. van der Borg (2000). Training met behulp van de stroomband: een schokkende ervaring voor de hond? Hoofdafdeling Geneeskunde van Gezelschapsdieren, Universiteit Utrecht. B. Beerda, M.B.H. Schilder, J.A.R.A.M. van Hooff, H.W. de Vries en J.A. Mol (1998). Behavioural, saliva cortisol and heart rate responses to different types of stimuli in dogs. Applied Animal Behaviour Science 58, p. 365-381. A. Stokvis (1999), De stroomband, een prikkelend onderwerp. Doctoraal scriptie Vakgroep Geneeskunde van Gezelschapsdieren, Universiteit Utrecht 

i Er zijn verschillende varianten van de stroomband mogelijk. Zo is er een antiblafband en een onzichtbare erfafzetting. In dit artikel wordt met de stroomband een trainingsband met afstandsbediening bedoeld.

Dominantie bij honden.

Christina Sondermann (vertaling: Sandra Hurkmans)

Hebt u een hond die steevast voor u uit de deur uit sprint? Die het liefst breeduit op uw favoriete plekje op de bank gaat liggen? Die soms alles doet, behalve wat u zegt? Kent u een hond die zijn voerbak verdedigt of een die het soms niet zo goed met soortgenoten kan vinden? Vast wel. En ongetwijfeld hebt u daarbij ook de volgende uitspraak gehoord:

 “Die hond heeft een dominantieprobleem!”

Dominantie: als een schrikbeeld spookt dit woord in de hondenwereld rond. Daar hoort het beeld bij van het Roedeldier Hond. Dit dier is hetzelfde als zijn voorvader, de wolf. Hij leeft in een strakke hiërarchische structuur. Zijn belangrijkste doel is omhoogklimmen in de hiërarchie en vechten om de dominante plaats. Dit doel heeft hij ook voortdurend voor ogen in de roedel die hij met ons tweebenigen deelt.

Dit beeld is verankerd in veel opvoedingsmethoden. De hond luistert alleen als zijn plaats binnen de roedel duidelijk is. De hond moet onder ons staan, willen wij met hem samen kunnen leven. De hond gaat alleen probleemloos met mensen en soortgenoten om als hem duidelijk wordt gemaakt welke positie hij in de roedel inneemt.

Dat op zijn plaats zetten binnen de rangorde wordt gezien als de oplossing voor vele hondenproblemen – vaak zelfs als de standaardoplossing voor alle problemen. Deze dominantietheorie is eenvoudig te begrijpen en voelt voor ons mensen van nature goed aan. Verbetering van problemen wordt vaak gezocht in rituelen als: de hond als laatste door de deur laten gaan, de hond altijd pas na de maaltijd van zijn mensen zijn eten geven, niet meer op de bank of op bed mogen slapen, zijn voerbak vaak wegpakken en hem onderwerpen als hij zich opstandig lijkt te gedragen tegenover soortgenoten of mensen.

Resultaten uit nieuw onderzoek tonen echter, dat deze zienswijze geen enkele wetenschappelijke grond heeft. Deze resultaten halen de aloude denkbeelden over de hond en de manier waarop hij samenleeft met soortgenoten en met mensen onderuit. Maar hoe zit het dan met ‘dominantie’ en ‘rangorde’?

Lees verder voor een spannende nieuwe kijk op wolven en honden en op de manier waarop wij onze omgang met onze viervoetige huisgenoten kunnen bepalen. We beginnen door een blik te werpen op de gang van zaken binnen de wolvenroedel.

Ouders in plaats van alfadieren

De structuur van de wolvenroedel wordt graag als model gebruikt voor het gedrag van onze honden – vooral wanneer het om ‘rangorde’ en om ‘dominantie’ gaat.

Wat men tot nu toe dacht

U kent ongetwijfeld het verhaal van de dominante alfateef en alfareu, die samen de roedel aanvoeren. Het leven binnen de roedel is hard. Plaatsen in de rangorde moeten voortdurend verdedigd worden tegenover concurrenten in de eigen roedel. Met andere woorden: ieder in de roedel wil omhoog klimmen – en wie iets wil betekenen, moet anderen continu zijn overwicht en dominantie tonen. Dit is – in eenvoudige bewoordingen – het beeld dat wij mensen tot nu toe hadden van wat er in de wolvenroedel gebeurt. En dat is het beeld dat wij als ‘erfenis van de wolven’ op onze honden projecteerden.

Dit beeld mogen wij echter gerust vergeten. Er schuilt namelijk een addertje onder het gras: de waarnemingen waarop deze kennis gebaseerd is, werden verricht bij wolven die in gevangenschap leefden: bij groepen die in krappe behuizingen waren gehuisvest, die vaak te maken hadden met voedselschaarste en waarvan de leden door mensen bij elkaar gezet waren.

Dit zijn geen goede voorwaarden voor een vreedzame samenleving. Dat daarbij veel stress en agressie te zien was, is dan ook niet verwonderlijk. Het is misschien moeilijk te geloven, maar bij roedels in het wild is iets heel anders te zien.

Nieuw onderzoek geeft een heel ander beeld

De verspreiding van nieuwe kennis over de manier waarop wolven samenleven, hebben we vooral te danken aan de Amerikaan David Mech. Tijdens jarenlang onderzoek, waarbij hij wolven in het wild observeerde, nam hij opmerkelijke zaken waar.

In de natuur zijn wolvenroedels families, bestaande uit de wolvenouders en hun kinderen, vaak van verschillende leeftijden. En zoals in een familie gaat het ook in een wolvenroedel toe: de wolf en wolvin die de leiding hebben, zijn absoluut geen strenge gezagdragers, die hun rang ten opzichte van de concurrenten verdedigen. Zij zijn zuiver liefhebbende en zorgzame ouders.

De wolven in de roedel leven erg vreedzaam samen. De jongen hebben de vrijheid die kleine kinderen vaak genieten en hebben vele privileges: jonge wolven mogen wild spelen zonder terecht te worden gewezen. Zij mogen naar de volwassenen toegaan en om voer bedelen. Deze accepteren dit en braken soms zelfs voer uit als hen daarom gevraagd wordt. Overigens werd zelfs bij een slecht gehouden wolvenroedel in gevangenschap waargenomen dat in tijden van voedselschaarste de oudere, meest ervaren dieren voedsel voor hun nakomelingen uitbraakten. Zelfs volwassen nakomelingen worden in noodgevallen nog door de wolvenouders verzorgd.

De ranghoogste zijn, heeft in de eerste plaats te maken met het zorgen voor het welzijn van de roedelleden.

Correcties komen in de wolvenroedel uiterst zelden voor. Slechts bij uitzondering worden de jongen op bepaalde grenzen gewezen. Als dit al voorkomt, gebeurt het zonder enig geweld en komt lichamelijk contact nauwelijks voor. Als een correctie nodig is, bromt het ouderdier. Meestal is dit voldoende. Werkt dit tegen alle verwachtingen in niet, dan opent de volwassen wolf zijn bek, legt hij die heel zachtjes over de bek van zijn kind en drukt hij die zachtjes neer. Dit is volkomen pijnloos en vrij van geweld en is de enige – en uiterst zelden voorkomende – manier waarop wolven hun nakomelingen corrigeren.

Als een wolf zich aan een ander onderwerpt, doet hij dit geheel vrijwillig. Onderwerping wordt binnen de wolvenroedel niet afgedwongen. Vrijwillige onderwerpingsgebaren bevorderen een vriendelijke omgang met elkaar. Meestal wordt daarbij de bek van het andere dier afgelikt (wat overigens vaak samen optreedt met het bedelen om voer en waarop door het andere dier wordt gereageerd met het uitbraken van voer). Ook kan het dier zich op zijn zij of rug draaien, waardoor het andere dier aan de genitaliën of de liesstreek kan snuffelen.

Al met al zijn wolven meesters in het oplossen van conflicten. Zij vermijden aanvaringen zoveel mogelijk. Ernstige gevechten komen alleen bij hoge uitzondering voor. In de 13 jaar dat David Mech wolven op het Canadese Ellesmere Island observeerde, heeft hij geen enkele strijd om de dominantie met andere wolven waargenomen.

Overigens kan geen enkele wolvenleider zijn beschermelingen ergens toe dwingen. Samenwerking gebeurt vrijwillig, “gehoorzaamheid” speelt in een wolvenroedel geen enkele rol. En wat betekent dit dan voor onze omgang met onze honden? Het is onwaarschijnlijk en omstreden dat honden ons als mens in hun rangorde betrekken (wij zijn namelijk mensen, geen honden!). Afgezien daarvan moeten wij bij ons samenleven met onze honden het volgende in het achterhoofd houden.

  • In de roedel bestaat geen heftig verdedigde en bevochten rangorde, maar een familiestructuur.
  • De roedelleiders zijn de ouders en zij kenmerken zich door hun grote tolerantie, vriendelijkheid en zorgzaamheid voor hun beschermelingen.
  • Hun voornaamste taak is het hun roedel veiligheid te bieden en ervoor te zorgen dat de leden goed gaat.
  • De roedelleiders zijn waardige, soevereine heersers. Nooit zullen zij op een onberekenbare manier geweld gebruiken. Nooit zullen zij een lid van de roedel bedreigen.
  • Alleen bij hoge uitzondering komt het tot lijfelijke conflicten. Als een wolf een ander aanvalt, gaat het meestal om leven en dood. (Overigens wordt de zogenaamde ‘alfaworp’ of het ‘nekschudden’ als correctiemiddel bij de opvoeding van honden door de hond als een aanval op leven en dood gezien – met alle risico’s op agressie uit noodweer door de hond van dien. Dan hebben we het nog niet over het vertrouwen dat de hond verliest in deze schijnbaar totaal onberekenbare mens). Onderwerpingsgebaren worden in de dagelijkse omgang met elkaar vrijwillig getoond en nooit afgedwongen.
  • “Gehoorzaamheid” speelt binnen wolvenroedels geen enkele rol.

Laten wij nog even terugdenken aan de hond die zijn voer verdedigt, die soortgenoten aanvalt of die graag op de bank ligt. Gelooft u nog altijd dat deze hond ‘dominant’ of ‘ranghoogste’ is? En als hij soms niet dat doet wat de baas of de vrouw vraagt – zou dit dan werkelijk betekenen, dat hij uw ‘roedelleiderschap’ niet erkent?

Laten we het dan eens vanaf de andere kant bekijken. Als wij ervan uitgaan dat we in een soort roedel samenleven met onze hond: gedragen wij als hondenbezitter ons zoals een roedelleider moet zijn? Zijn wij altijd zo rustig en soeverein en bieden wij de aan ons overgeleverde hond altijd de zorgzaamheid en veiligheid die wij hem verschuldigd zijn?
Het lijkt mij dat wij van de wolven nog veel kunnen leren om betere leiders van onze gemengde familie te worden!

Meer weten?

David Mech heeft zijn onderzoeksresultaten over de gebeurtenissen in een vrij levende wolvenroedel samengevat in een lezenswaardig artikel. Dit werd in 1999 gepubliceerd in het ‘Canadian Journal of Zoology’. Hieronder vindt u de brongegevens en het internet-adres voor dit artikel:

Mech, L. David. 1999. Alpha status, dominance, and division of labor in wolf packs. Canadian Journal of Zoology 77:1196-1203. Jamestown, ND: Northern Prairie Wildlife Research Center Home Page: http://www.npwrc.usgs.gov/resource/2000/alstat/alstat.htm

Volgende artikelen: De voorvaderen van onze hond en Wat betekenen deze bevindingen voor ons en onze honden?

Oorspronkelijke titel: “Die Sache mit der Dominanz”
Op internet te lezen via www.spass-mit-hund.de. Klik achtereenvolgens op ‘Mehr wissen’ en ‘Die Sache mit der Dominanz’.
Vertaald door Sandra Hurkmans  (www.doghouserock.nl), voor de internet-versie van deze tekst kijk op de Doghouse Rock-website, ga naar Training en vervolgens naar Leiderschap.

Dominantie (2): De voorouders van onze hond
Christina Sondermann (vertaald door: Sandra Hurkmans)

In het vorige deel hebben we gekeken naar de verwanten van onze huishond, de wolven. Dit was vooral omdat hun manier van leven en hun roedelstructuur vaak worden gebruikt als argument voor bepaalde opvattingen over het opvoeden van onze honden en de manier waarop wij met onze honden samenleven en omgaan. Kennis van de nieuwe waarnemingen bij wolven is belangrijk om te helpen begrijpen dat de dominantie- en roedeltheorieën achterhaald zijn. Het is echter weinig productief om uitsluitend naar de wolvenroedel te kijken en wolvengedrag als de enige basis te nemen voor de verklaring van het gedrag van onze honden.

De voorouders van onze hond

De Amerikaanse hondenwetenschappers en gedragsbiologen Raymond en Lorna Coppinger hebben in 2001 de resultaten van hun jarenlange onderzoekswerk gepubliceerd in het boek Dogs: a Startling New Understanding of Canine Origin, Behavior, and Evolution. Hieruit blijkt dat waarschijnlijk niet de wolvenroedel, maar de afvalhopen bij de eerste mensendorpen aan de wieg stonden van onze huishond.

Van wolf tot hond: wat we tot nu toe aannamen

Er was eens een tijd dat er wolven, jakhalzen en coyotes bestonden, maar geen honden. En op zeker moment waren er honden, en deze waren anders dan wolven, jakhalzen en coyotes. Zo leven wolven in het wild, vermijden zij mensen en doden zij hun prooi. Honden daarentegen leven rondom woningen van mensen en laten zich door hen voeren. Daardoor zijn ze te temmen en te trainen. Dat is genetisch zo verankerd.

Er heeft dus een genetische verandering plaatsgevonden om van een wild dier een hond te maken. Tot nu toe gingen de meeste mensen ervan uit, dat dit gebeurde door zogeheten ‘kunstmatige selectie’. Dat wil niets anders zeggen dan dat de vroege mens een wolvenwelp adopteerde, hem temde en trainde en hem met andere op dezelfde manier getemde wolven kruiste. En daaruit kwam de gedomesticeerde hond voort. De volgorde van de gebeurtenissen is bij deze denkwijze als volgt: (geleerde) temming à (geleerde) trainbaarheid à (genetische) domesticatie.

Wat is er mis met deze opvatting?

De Coppingers hebben op een begrijpelijke manier verklaard, waarom dat niet op deze manier kan zijn gebeurd.

  1. Een wolf is nauwelijks te temmen
    De ervaring met het opvoeden van wolvenwelpen heeft geleerd, dat wolven hun angst voor de mens weliswaar kunnen afleren, maar dat zij zich nooit als een hond zullen gedragen. Voor zover deze beperkte mate van temmen mogelijk is, moet daarin veel moeite worden gestoken. Zo moet de welp, voor hij op de leeftijd van 2 weken oud de ogen opent, worden weggehaald bij zijn roedel. Het organiseren hiervan valt niet mee. Er zijn goedgebouwde omheiningen nodig om te voorkomen dat de wolf wegloopt. Zelfs moderne wolfhybriden (kruisingen tussen wolven en honden) zijn moeilijk in de omgang en nauwelijks als huisdier te houden. Het is niet erg aannemelijk dat de vroege mens de grote investeringen in tijd en moeite die hiervoor nodig zijn, wilde en kon doen.
  2. Wolven zijn nauwelijks te trainen
    In een wolvenpark werd de wolven geleerd aan de lijn te lopen en zich van het ene naar het andere omheinde gebied te laten brengen. Veel meer dan dit kon men door middel van training niet bereiken. Een zeer duidelijke aanwijzing voor hoe moeizaam het is om wolven te trainen, is het feit dat er geen circusnummers bestaan waarin wolven optreden.
  3. Wolven zijn genetisch niet te domesticeren
    Zelfs als men erin slaagt individuele wolven enigszins te temmen en te trainen, verandert daarmee hun genetische aanleg nog niet. Geleerde tamheid en getrainde eigenschappen zijn niet erfelijk. Ook als je ervan uitgaat dat onze voorouders zagen dat er in iedere populatie wolven enkele exemplaren zijn die iets makkelijker te temmen zijn, was het nog nauwelijks mogelijk geweest om deze exemplaren met elkaar te kruisen.
    Het valt verder te betwijfelen dat de al op een vaste plaats gevestigde mens een grote populatie wolven in zijn nabije omgeving had en daarbij ook nog eens in staat was de tammere exemplaren daaruit te isoleren, zodat hij ermee kon fokken. Daar komt nog bij dat aangenomen wordt dat er 15.000 jaar geleden uitsluitend wolven waren, terwijl er in 8.000 voor Christus al diverse hondenrassen bestonden. Deze tijdsspanne is te kort om wolven door kunstmatige selectie te domesticeren.

Hoe ging het dan wel?

Raymond en Lorna Coppinger gaan ervan uit, dat de wolven EERST genetisch moesten veranderen, voordat zij überhaupt door ons mensen gedomesticeerd konden worden.

Na die genetische verandering hebben onze huishonden zich door zogeheten ‘natuurlijke selectie’ verder ontwikkeld. De dieren pasten zich vanzelf aan een nieuwe of veranderende ecologische niche aan – en die niche had in dit geval iets met ons mensen te maken.

Het zou bijvoorbeeld zo kunnen zijn gegaan: op zeker moment ging de vroege mens zich op een bepaalde plek vestigen en stichtte hij dorpen. Daarmee schiep hij een nieuwe ecologische niche. Deze dorpen boden namelijk voedsel, veiligheid en goede voortplantingsmogelijkheden. Enkele wolven namen deze niche in en kregen toegang tot een nieuwe voedselbron: zij aten van de menselijke mestvaalten, zij leefden van etensresten en van latrines. De wolven die dit deden, moesten al een genetische aanleg hebben voor een, naar wolvenbegrippen, korte vluchtafstand. Degenen die genetisch een grotere vluchtafstand hadden, waren angstiger en liepen veel eerder weg dan hun soortgenoten met de kortere vluchtafstand. De van nature tammere wolven hadden betere voorplantingsmogelijkheden. Zij konden meer en langer eten van de menselijke vuilnisbelt en verbruikten hierbij ook nog eens minder energie. Deze energie konden zij vervolgens in hun voortplanting steken.

Hierdoor begon de wilde wolf, canis lupus, zich in twee populaties te splitsen. De ene populatie kon op de mestvaalt bij menselijke nederzettingen leven. De andere kon dit niet en bleef in de wilde natuur leven.

De hondachtigen die in de buurt van menselijke nederzettingen leefden, gingen er uiteindelijk meer en meer als honden uitzien. Zij hadden een kleiner lijf, een kleinere kop, een kleinere neus en kleinere hersenen dan wolven. Dit was een optimale aanpassing aan hun ecologische niche: zij hadden constant voer, maar in vergelijking met jagende wolven had hun voer een lage energetische waarde. Hun lichaam moest dat voer dan ook goed benutten. Een groot lichaam en grote hersenen hadden voor deze hondachtigen geen meerwaarde en betekenden dus energieverspilling.

Pas na deze genetische veranderingen ten opzichte van de wolf, werden deze hondachtigen tem- en trainbaar door mensen.

De Coppingers stellen dan ook dat minstens een deel van een bepaalde populatie wolven zichzelf moet hebben getemd. De volgorde van de gang van zaken is bij deze gedachtengang als volgt: domesticatie à van nature ontstane tamheid à van nature ontstane trainbaarheid.

Waarom is het van belang of de hond door kunstmatige of door natuurlijke selectie is ontstaan?

Het kleine verschil tussen honden en wolven is ongeveer net zo groot als het verschil tussen mensen en apen. Het gedrag van honden vergelijken met dat van wolven, is volgens de Coppingers hetzelfde als wanneer wij menselijk gedrag zouden afleiden van het gedrag van apen. Weliswaar zijn wij mensen verwant aan apen, maar wij gedragen ons niet als apen en wij denken ook niet hetzelfde. En niemand zou op het idee komen om voortdurend apengedrag te gebruiken als verklaring voor menselijk gedrag.

Precies hetzelfde geldt voor de hond en de wolf. De wolf is niets anders dan een verre neef van de hond. Het gedrag en het uiterlijk van de wolf weerspiegelen zijn aanpassing aan de natuur, dat van de hond zijn aanpassing aan zijn gedomesticeerde leven. De twee verre neven zijn aangepast aan twee verschillende niches en zijn daarmee twee zeer verschillende dieren.

Dit onderscheid is daarom van belang, omdat veel mensen er niet alleen nog altijd van uitgaan dat de hond wolfachtige eigenschappen heeft, maar dat hij die ook nog eens in dezelfde mate heeft en dat hij precies zo denkt als een wolf. Wij weten nu: honden hebben geen wolvenhersenen – zij denken niet als wolven. Sterker nog: als wij mensen van onze honden wolfachtig gedrag verwachten en ons zelf als wolven (proberen te) gedragen, kan het gebeuren dat wij door onze honden gewoon niet begrepen worden en alleen maar voor verwarring zorgen!

Honden zijn dus anders. Maar hoe dan?

Een wezenlijk verschil tussen honden en wolven is dat de voorouders van onze huishonden niet in roedels leefden. Het waren weliswaar sociale, maar tegelijkertijd ook halfsolitaire dieren!

De Coppingers hebben een hondenpopulatie op het Oost-Afrikaanse eiland Pemba geobserveerd. De honden die daar leven zijn van niemand en worden niet bijzonder gewaardeerd. Zij zijn er gewoon. De Coppingers gaan ervan uit, dat deze honden geen verwilderde kruisingen van rashonden zijn – die zijn er op Pemba ook nooit geweest – maar directe afstammelingen van de oorspronkelijke honden: de voorouders van onze huishond.

Net als de “dorpshonden” in vele landen over de hele wereld zijn de honden op Pemba feitelijk geen huisdieren. Zij leven weliswaar rondom de huizen, maar ze hebben geen naam, zij laten zich niet roepen of aaien, zij gaan mensen liever uit de weg en ze worden niet gevoerd. Zij voeden zich met het afval en de restjes rondom de woningen. Levende dieren eten zij in de regel niet. Zij verspillen geen energie aan het volgen en jagen van prooidieren. Eten vinden betekent voor hen, daar te zijn waar eten voorhanden is, en dat is vooral op de vuilnisbelten en mestvaalten. Met het “roofdier wolf” hebben zij weinig meer gemeen.

Terwijl de wolf bij wijze van overlevingsstrategie een roedel moet opbouwen om, met een bepaalde verdeling van taken, samen te kunnen jagen en welpen groot te kunnen brengen, is dat voor de dorpshonden helemaal niet nodig. Als sociale wezens zijn zij weliswaar in staat met andere individuen samen te leven, maar zij hebben geen sociale structuur nodig om afval te vinden. Als het op eten aankomt, zijn andere honden veeleer concurrenten. Het heeft voor dorpshonden geen voordelen om met andere honden samen te werken. Zij zoeken naar en wachten op eten – alleen! Als groep zal men alleen een moeder met haar kroost zien samenleven op één en dezelfde vuilnisbelt. Deze groepen omvatten zelden meer dan drie dieren. De aandacht van de dorpshonden is volledig op menselijke activiteiten gericht – zoals dat bij onze honden ook is.

Vorig deel van deze serie: Dominantie en volgend deel: Wat betekenen deze bevindingen voor ons en onze honden?

Oorspronkelijke titel: “Die Sache mit der Dominanz”
Op internet te lezen via www.spass-mit-hund.de. Klik achtereenvolgens op ‘Mehr wissen’ en ‘Die Sache mit der Dominanz’.
Vertaald door Sandra Hurkmans  (www.doghouserock.nl), voor de internet-versie van deze tekst kijk op de Doghouse Rock-website, ga naar Training en vervolgens naar Leiderschap.

Dominantie (3): Wat betekenen deze bevindingen voor ons en onze honden?
Christina Sondermann (vertaald door: Sandra Hurkmans)

In de delen hiervoor, Dominantie en De voorouders van onze hond, hebben we gekeken naar de verwanten van onze huishond, de wolf. Uit nieuw onderzoek blijkt dat een wolvenroedel in de natuur niet zozeer bestaat uit alfadieren die de roedel met ijzeren vuist bestieren, maar uit een ouderpaar dat hun welpen met veel rust en geduld grootbrengt.
Vervolgens hebben we gezien dat wolven niet door mensen werden gedomesticeerd, maar dat betrekkelijk tamme exemplaren er baat bij hadden om zich in de nabijheid van de mens te vestigen vanwege de voedselrijke mestvaalten. Verder hebben we gezien dat de voorouders van onze honden, de “dorpshonden” zoals die nu nog in veel warme landen te zien zijn, niet zozeer in roedelverband leven, maar sociale doch halfsolitaire dieren zijn. Het roedelverband hebben zij door hun manier van leven dan ook niet nodig.

Wat betekenen deze bevindingen voor ons en onze honden?

Laten wij nu deze nieuwe onderzoeken in de wetenschap der hondachtigen even neerleggen en onze blik verleggen naar ons eigen, persoonlijke exemplaar – dat wellicht in de tijd die u aan dit artikel wijdde, heeft gebruikt om een niet-afgesloten vuilnisemmer te plunderen of enkele zakken heeft gerold ;-).

Een en ander nog eens samenvattend, weten we nu het volgende:

  • Het leven in een roedel is helemaal niet wat wij ons tot nu toe hadden voorgesteld en lijkt niet op wat wij altijd hebben gebruikt als basis voor het samenleven met onze honden. De “roedelleiders” zijn niets anders dan zorgzame ouders. Conflicten zijn er hooguit wanneer deze dieren in gevangenschap onder stress leven. Geregelde rangordeconflicten, het streven naar de macht, autoritair gedoe en het afdwingen van gehoorzaamheid komen binnen een wolvenfamilie niet voor.
  • Roedelverbanden zijn voor onze eigen viervoeters helemaal niet zo belangrijk. Het zijn weliswaar sociale wezens en zij kunnen in groepen samenleven, maar vanuit hun ontstaansgeschiedenis zijn zij erop geprogrammeerd op de vuilnisbelten van de mens te wachten tot hun eten zich aandient en daarbij puur hun eigen belang te dienen. Zij zijn weliswaar verwant aan de wolf, maar het zijn geen wolven en zij denken dan ook anders.

Zelfs al nemen wij de familie-idylle van de wolvenroedel als voorbeeld voor de verhouding met onze hond, dan nog weten wij nu dat roedelstructuren en rangorde nauwelijks van belang zijn als uitgangspunt voor hondengedrag en geen maatstaf kan vormen voor ons samenleven met onze viervoetige vrienden.

Natuurlijk werpt dit direct een hele hoop nieuwe vragen op. Wat heeft dan wel invloed op ons samenleven met onze honden? Volgens welke principes gedraagt de hond zich dan? En hoe kunnen wij dan samen verder? Het zou gewaagd zijn dit in een paar regeltjes uiteen te willen zetten. Je kunt echter ver komen als je één ding weet:

Honden zijn egoïsten…

Dat is op zich helemaal niet negatief. Het zijn misschien wel de meest beminnelijke egoïsten die wij kennen. Bovendien zijn ze uiterst vriendelijk en in de regel vermijden ze liever conflicten. Maar je moet er wel van doordrongen zijn: honden doen en herhalen datgene dat voor hen loont, en zij laten dat wat geen succes oplevert. Honden zijn op hun eigen voordeel uit en pakken dat wat ze kunnen. Hierbij is geen enkele sprake van kwade wil. Ze verschillen hierbij geenszins van enig ander levend wezen – inclusief de mens!

Maar wees niet bang. Wij zijn niet willoos aan hun doen en laten overgeleverd. Feitelijk geldt het omgekeerde. Want uiteindelijk hebben WIJ alles in de hand wat onze hond interesseert. Wij beschikken over alles wat zij nodig hebben: voer, aandacht, een dak boven het hoofd, veiligheid en zekerheid. Dit beheren wij allemaal. Men noemt dit ‘controle over de bronnen’. Deze ‘bronnen’ kunnen wij nuttig gebruiken. Wij gebruiken ze als ruilmiddel om de hond ertoe te brengen met ons samen te werken. “Als jij doet wat IK wil, dan krijg jij wat JIJ wilt”. Als wij de regels hiervoor bepalen, werkt onze hond graag met ons mee. Feitelijk is de hond op zijn eigen voordeel uit – en daarbij kan hij op geen enkele manier om ons heen. Eigenlijk heel erg eenvoudig, toch?

… en honden zijn geheel aan ons overgeleverd!

Daarbij moeten wij één ding niet vergeten. Juist omdàt wij controle over alle bronnen hebben en daarmee de beschikking hebben over alles wat in een hondenleven belangrijk is, dragen wij een enorme verantwoordelijkheid voor alles wat er in het leven van de hond gebeurt. Wij zijn het onze hond verschuldigd om bewust en verantwoordelijk met hem om te gaan. Dat heeft niets met ‘roedelleiderschap’ of ‘dominantie’ te maken. Het heeft alles te maken met het feit dat ons een levend wezen is toevertrouwd, waarbij wij beschikken over zijn lot. Wij bepalen het hele leven van onze hond. Daarmee zijn wij hem verplicht om ons diepgaand bezig te houden met zijn gezondheid en zijn natuurlijke behoeften.

Onze honden communiceren voortdurend met ons. Zij vertellen ons continu hoe ze zich voelen, wat zij willen, wat hen bang maakt, wat zij leuk vinden. Zij kunnen niet anders. Alleen hebben WIJ er soms problemen mee om naar ze te luisteren en te begrijpen wat ze ons vertellen. Maar al te snel levert het rangordemodel in ons achterhoofd allerlei verklaringen op voor het gedrag van onze hond, die ertoe leiden dat wij onze hond soms totaal verkeerd begrijpen of hem zelfs onrecht aandoen en hem lichamelijk of mentaal onder druk zetten. Als onze gedachten niet meer voortdurend in cirkeltjes rondom dominantie en rangorde draaien, kunnen wij veel beter zien wat er nu ècht in onze viervoeters omgaat. En dan kunnen wij het ons veroorloven om onze hond met begrip te benaderen. Wij hoeven dan niet bang te zijn ‘zwakte’ te tonen en onze positie in de ‘rangorde’ te verliezen.

Was er niet nog iets…?

Misschien herinnert u zich nog de hond uit de inleiding. Die hond met de zogenaamde dominante gedragingen, met kleine en grote problemen. Ons verhaal over dominantie heeft u misschien een beetje helpen begrijpen dat ‘dominantie’ geen verklaring vormt voor ieder hondenprobleem. Wij geven hier enkele voorbeelden hoe gedrag gedrag dat maar al te vaak als ‘dominantieprobleem’ wordt betiteld, op een andere manier verklaard kan worden. De nadruk ligt op “kan worden”, want geen enkel gedrag laat zich over één kam scheren en universele verklaringen voor een gedrag bestaan niet. Ter zake:

  • De hond die graag op de bank ligt… streeft niet naar macht, maar is vermoedelijk gewoon op comfort gesteld. Als onverbeterlijke egoïst probeert hij om deze voor hem uiterst aangename plek op slinkse wijze te veroveren. Een andere hond heeft misschien heel andere voorkeuren. Zo zal een Newfoundlander met zijn dikke vacht waarschijnlijk de voorkeur geven aan de koele tegelvloer op de grond boven het warme plekje op de bank voor de open haard. En wel om precies dezelfde redenen: comfort.
  • De hond die als eerste door de deur sprint… is mogelijk nogal opgewonden als hij wordt uitgelaten en zijn eigenaar heeft hem nooit geleerd om te wachten bij de deur. Als de eigenaar dit belangrijk vindt, is het dus niet de fout van de hond, maar die van de eigenaar zelf.
  • De hond die soms niet luistert… heeft waarschijnlijk nog niet genoeg met zijn mens geoefend. Wil een oefening bij alle soorten afleidingen lukken, dan is veel training nodig!
    Misschien verwachten wij op dat moment het onmogelijke van onze hond – en daar trekken wij vervolgens de conclusie uit dat hij ‘ongehoorzaam’ is. Daarbij straffen wij hem voor ONS EIGEN verzuim en bestempelen hem op de koop toe als ‘dom’ of ‘dominant’.
  • De hond die zijn voer verdedigt… is absoluut geen tiran die maling aan ons heeft en die strijdt om de macht in de roedel. Meestal is de hond gewoon bang dat iets van hem wordt weggepakt. Meestal komt dit door slechte ervaringen in het verleden – en wel met ons, mensen.
  • De hond die uitvalt naar soortgenoten… daarvan wordt meestal teveel van gevraagd, terwijl hij onzeker is in de omgang met andere honden of zelfs bang is voor ze. Hebben wij hem misschien onvoldoende gesocialiseerd? Misschien heeft hij stress door de manier waarop zijn dagelijks leven is ingericht en uit hij die spanning op deze manier? Misschien hebben wij hem onbewust onder druk gezet, omdat wij hem voor zijn ‘foute gedrag’ gestraft hebben en de situatie voor hem alleen maar erger hebben gemaakt?
    Agressief gedrag naar mensen of honden heeft bijna altijd met angst of stress te maken. Op zo’n moment hebben wij een of meerdere signalen waarmee de hond om hulp vroeg, over het hoofd gezien.

Als wij dit soort verbanden begrijpen, zijn wij in staat om onze honden eerlijker te behandelen. Wij kunnen het hoofd koel houden en rustiger bepalen wat de oorzaak is voor een of ander probleem of gedrag. Zo kunnen we meerdere oplossingen bedenken die de hond in zijn recht laten. Bovendien zorgt deze kennis voor een betere kwaliteit van onze omgang met onze honden.

In uw persoonlijke omgang met uw hond…

wordt het samenzijn veel aangenamer, als de dreiging van dominantie niet voortdurend alles beïnvloedt wat u en uw hond doen.

Samenvattend:

Wij mogen gerust onze honden op de bank laten als wij dat willen. Hierdoor komt onze status niet in gevaar. Of wij nu eerst eten of de hond, maakt ook niets uit. Natuurlijk is het wel belangrijk dat wij bepaalde regels stellen. Deze regels geven de hond zekerheid en veiligheid en zij zorgen ervoor dat we fijn met elkaar kunnen samenleven. Net als in ieder huishouden: als geregeld is wie ‘s morgens als eerste in de badkamer mag, is iedereen tevreden. Daarbij is de eerste die gaat niet noodzakelijk degene met de meeste privileges. De een gaat graag vroeger, de ander ligt liever nog ietsje langer in zijn nest. Het voordeel is dat u in uw persoonlijke omgang met uw hond de vrijheid hebt om te bepalen of u degene bent die als eerste gaat, of dat u nog even blijft liggen ;-).

Tegenover dat recht staan echter ook plichten, namelijk om ervoor te zorgen dat uw hond het goed heeft en dat zijn behoeften bevredigd worden – en dat u let op wat hij u te vertellen heeft.

Wij wensen u een ontspannen omgang met uw viervoetige medebewoner!

Vorige delen: Dominantie en De voorvaderen van onze hond

Oorspronkelijke titel: “Die Sache mit der Dominanz”
Op internet te lezen via www.spass-mit-hund.de. Klik achtereenvolgens op ‘Mehr wissen’ en ‘Die Sache mit der Dominanz’.
Vertaald door Sandra Hurkmans  (http://www.doghouserock.nl), voor de internet-versie van deze tekst kijk op de Doghouse Rock-website, ga naar Training en vervolgens naar Leiderschap.

Puberteit bij honden

e kunt het gewoon voorspellen… Je hond gedroeg zich tot voor kort als een engeltje en ineens gedraagt hij zich alsof hij van de basiscommando‟s zelfs nog nooit gehoord heeft. Wat is er gebeurd? Waarom neemt mijn hond me in de maling?
Dat doet hij niet. Hij zit in die meest gevreesde fase… de puberteit.
Bij een intacte reu piekt de testosteronproductie in deze periode. Deze kan wel driemaal de concentratie bereiken als die van een volwassen reu en sommige honden hebben het hier echt heel moeilijk mee. Maar de puberteit draait niet alleen om testosteron, noch om sexhormonen. Als dat zo was, zou een gecastreerde hond ervoor gespaard blijven. En dat is niet zo. Alle sociale dieren gaan door de puberteit heen. Dit wordt ook vereist door de natuur.

Sociale zoogdieren komen over het algemeen hulpeloos en totaal afhankelijk ter wereld. Als ze volwassen zijn, wordt echter van ze verlangd dat ze volledig onafhankelijk zijn en de volgende generatie kunnen grootbrengen. Tussen die twee momenten moet er dus veel gegroeid, ontwikkeld en geleerd worden. De puberteit is de fase waarin de natuur vereist dat ze leren zelf beslissingen te nemen op basis van hun eigen inzichten. “Omdat ik het zeg” is niet goed genoeg meer. Ze worden er biologisch toe gedreven om zich van hun ouders los te maken en dingen op hun eigen manier te doen. Het is geen rebellie. Het is de natuur.

Nu kun je wel zeggen “Maar honden worden niet onafhankelijk. Ik wil niet dat mijn hond zelf beslissingen neemt!” Onzin – natuurlijk wil je dat wel. Denk er eens aan hoe het was toen je pupje 8 weken oud was. Denk eraan hoeveel tijd je kwijt was, terwijl je ieder aspect van zijn leventje regelde. Vergelijk dit eens met een oudere hond die het allemaal al eens gezien en gedaan heeft. Die hond verdient misschien geen salaris, maar hij kent zijn wereldje binnenste buiten en is veel betrouwbaarder, voorspelbaarder en volwassen. Nou, om dat punt te bereiken moet je door de puberteit heen :-).
Hoe je ermee omgaat? Zorg ervoor dat ze alle kans krijgen om de juiste keuze te maken en zorg ervoor dat die juiste keuze heel, heel erg belonend is. Werk flink aan het leggen van dit fundament, namelijk dat de basisoefeningen “het allerbeste zijn dat je als hond kan overkomen”.
Naast deze biologische noodzaak, ondergaan de hersenen van de puppy een ongelooflijke fysieke verandering. Zenuwvezel voor zenuwvezel ontwikkelen deze zich tot een doelgerichte denkmachine. In de tijd ertussenin is het brein echter bepaald geen efficiënte denkmachine – en al helemaal niet tijdens de puberteit.

Daarom kunnen pubers het ene moment nadenken en het volgende moment… niet. Sterker nog, de prikkels die door de (bewust denkende) hersenschors zouden moeten gaan, worden direct omgeleid via het limbisch systeem, dat primaire reacties en emoties bestuurt. Hierdoor krijg je totaal overtrokken reacties. Dit zie je ook bij mensenpubers:
“Zet jij de vuilnis even buiten?” “Je haat me! Dat zou je me nooit vragen als je me ook maar een beetje begreep! Je luistert nooit naar me! Ik haat je en ik wil je nooit meer zien!”
Als je later vraagt waarom de puber zo reageerde, zegt hij “Ik weet het niet”. En hij weet het ook echt niet. Hij had op dat moment geen controle over die emoties, maar een kleine kortsluiting in de hersenen.
De puberteit begint bij honden rond 6-7 maanden. Officieel duurt hij tot de hond volwassen is, ergens tussen 3 en 4 jaar. Maar de absoluut ergste fase – de periode waarin hun hersentjes wel heel weinig aankunnen – is meestal na de eerste 2 tot 3 maanden wel voorbij.

Kort op een rijtje:

7-10 maanden, vroege puberteit. Dit is de moeilijkste periode van de puberteit. Mini-hersentjes. Als niet gecastreerd, hoge concentraties hormonen. De wittebroodsweken van de puppytijd zijn voorbij! Dit is vaak ook de tijd wanneer problemen met het temperament boven komen drijven. Sommige honden worden erg reactief in deze periode en binnen een roedel kunnen onderlinge problemen ontstaan.

11 maanden-3 jaar, puberteit. Veel veranderingen tijdens deze lange periode. De hond vormt zich van een emotioneel, onderontwikkeld, 12-jarig jochie via een slungelige puber tot een jong volwassene. De „mini-hersen‟-momenten worden langzaam minder. Maar met de fysieke volwassenheid komt ook de sociale volwassenheid en soms zijn er „problemen‟ die vaak samenhangen met groeispurten. Agressie komt vaak vroeg in deze fase voor het eerst bovendrijven, grofweg tussen 12-18 maanden.
3 jaar en ouder, volwassenheid. De hormoonconcentraties trekken bij. De hond groeit niet meer. Honden zijn ergens tussen 3 en 4 jaar fysiek volwassen. Sommigen worden mentaal nooit volwassen ;-). Anderen worden rustiger en evenwichtiger in deze periode. De snelheid van het volwassen worden verschilt sterk van ras tot ras.

Samenvattend, de puberteit bij honden is rond 7 tot 10 maanden op zijn ergst, waarna deze gestaag verbetert en overgaat als de hond tussen 3 tot 4 jaar volwassen wordt. In grote lijnen is de “verbeteringscurve” vrij lineair – als hij 2 jaar is, is de hond anders dan met 18 maanden – maar van dag tot dag bekeken is er geen pijl op te trekken. Je hond heeft vandaag misschien hersenen. Maar misschien ook niet.
Op de dagen dat zijn hersenen gevlogen lijken, vat het dan niet persoonlijk op. Hij is niet koppig. Hij kan echt niet nadenken. Maak alles dus heel simpel en eenvoudig voor hem. Bij een mensenpuber zijn dat de momenten waarop je een geschreven lijstje meegeeft in plaats van een mondeling verzoek. Of neem een dagje vrij en geef je hond een kans om informatie te verwerken en, misschien, een eh… helder moment te beleven.

Oorspronkelijke titel: Canine Adolescence (copyright: Melissa Alexander)

www.clickersolutions.com

http://www.reinventing-melissa.com

Met toestemming vertaald door: Sandra Hurkmans, http://www.doghouserock.nl